Vierentwintig september.

9 Sep

 

De vierentwintigste september sluipt naderbij. Ondanks het feit dat ik niet veel met data heb, ik zou niet eens het jaartal dat je oma overleed kunnen zeggen, doet deze datum wel iets. Ik bekeek vanmiddag sinds best lange tijd de video van je uitvaartdienst. Tranen natuurlijk en weer dat bizarre ervaren dat je er niet meer bent. Dat ongeloof, dat onbegrip.

Na bijna twee jaar snap ik het nog steeds niet. Maar je wordt vager. Dát snap ik niet. Hoe kan ik een dag werken zonder constant aan je te denken? Hoe doen andere moeders dat? Is dat uit zelfbehoud? Waarom?

Ik ben laatst voor het eerst sinds de verhuizing naar ons huis in Slijk-Ewijk gereden. Dat was raar. Ik ben blij dat ik er niet meer woon. Te veel herinneringen. Maar het was wel ons huis. En eigenlijk hoop ik stiekem tijdens iedere onweersbui dat die hele boerderij afbrandt. De ruimte waarin jij was is van ons, daar waar jij je handafdruk achterliet. Van niemand anders dus niemand anders mag daar zijn. Zij kennen je niet.

Ik verbaas me over mijn eigen leven. Ik heb altijd gedacht dat ik dood zou gaan als jij of één van je broers dood zou gaan. Toch heb ik gewoon naast je dode lichaam kunnen slapen. Met je kunnen praten terwijl je er niet meer was. Verder kunnen gaan met zelfs best veel plezier.

Het is zo dubbel, ik vertel je niet over die nachten dat ik huilend je knuffelbeest tegen mijn ogen wreef. Vertel ik niet dat ik zo bang ben voor de ervaring dat je steeds waziger wordt. Dat ik me niet meer herinner wat je zei als je ‘s ochtends de keuken inliep. Misschien is dat de normale gang van zaken. En dat is raar want toen je net dood was zat het verdriet niet alleen in mijn kop maar ook in mijn lijf. Een lichamelijke pijn, een soort scheurend gevoel in mijn middenrif.

Ondanks wat ik eerder schreef wordt het zeer minder, rouw wordt dat ook en dat verwacht je niet. Laat je je zelfs schuldig voelen. Ik? Een moeder die haar jongste kind verloor? Dat die plezier in het leven kan hebben? Schandalig toch? Maar ik moet verder, lieve Piet. Jij bent dood maar ik niet. En je weet dat ik alles zou geven om je hier terug terug te krijgen. Vierentwintig september sluipt stiekem naderbij.

Advertenties

Herinneringen

21 Aug

Tegenwoordig als ik mijn laptop opstart krijg ik op FaceBook herinneringen te zien. Ik kan kijken naar berichten die ik precies één, twee of drie jaar geleden plaatste en lezen over de dingen die me toen bezig hielden. Die twee jaar is zo verschrikkelijk. Twee jaar geleden wisten we niet dat je nog maar 27 dagen zou leven. Twee jaar min 27 dagen geleden wist ik niet dat alles ineens voorgoed anders zou worden.

Iedere ochtend dat de herinneringen uit 2016 op FaceBook op mijn scherm verschijnen waarschuw ik je. In mijn hoofd. In mijn gedachten. “Kijk uit, het zal niet goed gaan!” “Lieffie, blijf slapen bij Yason!” Maar er gebeurt niets en iedere ochtend komt die klotedag dichterbij, in het echt en op Facebook en Twitter.

Hoe bitter, al die onwetende berichten en grappige opmerkingen. Dat jij, ik en wij nog geen benul hadden van wat komen ging. Het lijkt een verkeerd omwerkende tijdmachine want als die goed had gewerkt dan had ik op 23 september 2016 de banden van je scooter lek gestoken. Had ik wat in je eten gedaan zodat je ziek thuis was gebleven.

Dat het leven van zulke kleine dingen afhankelijk is, is nog wel het ergste. En de “En als” , “En als” vragen. En de “Waarom” Dat zijn de ergste.

Ik mis je. Na bijna twee jaar na ons samen zijn in het mortuarium in Nijmegen voel ik nog steeds dat afgrijzen. Hier slijt niets. Hier wil niks loslaten. En iedereen die oppert dat ik het een plekje moet geven ram ik keihard voor de desbetreffende kop. Ik laat niet los, ik vertik het. Jij blijft bij me hoe je me verlaten hebt. Pijn, gruwel, onmacht, mooie muziek, dierbare vrienden, liefhebbende familie.

Toch wou ik soms dat alles weer gewoon als vroeger was. Dat de dood van een kind iets was dat je las in de krant, iets dat anderen overkomt. Een terloops gelezen bericht. En dat ik de tijd terug kon draaien.

Hulp.

21 Mei

Het lukt me niet, Piet. Meer dan anderhalf jaar na je dood moet ik toegeven. Ik accepteer je dood niet. Ik probeer zoveel mogelijk die bijtende, alles verwoestende pijn weg te proppen in het angstige hoekje van mijn hoofd. En dat vindt zijn uitweg in mijn oude vriend hyperventileren en pleinvrees. Terwijl ik sinds jouw dood absoluut niet meer bang ben voor wat er eventueel hierna komen gaat.

Begrijp me niet verkeerd, ik werk, ik functioneer, ik knuffel mijn oppaskinderen en heb plezier in dingen. Ik kook lekkere maaltijden voor mijn vrienden en mijn huis is bijna altijd vol. Maar het duizelige in mijn hoofd blijft. Daarvoor zoek ik steun. Steun die ik niet kan eisen van mensen die me zo na staan. Misschien te dichtbij. Misschien heb ik een buitenstaander nodig die niet betrokken is en niet geraakt wordt door mijn verstopte verdriet en tranen.

Ik zie je kop als je dit allemaal leest en hoor je zeggen: “Trut!” Ja, Pik, maar ik ben niet diegene die tegen die lantaarnpaal is geknald. Ik durfde pas na een half jaar uit te stappen en op die plek te staan. Ik doe wel stoer maar ik ben het niet meer.

Ik weiger vanaf nu zonder tranen over jouw dood te praten. Ik weiger grappige opmerkingen te plaatsen. Ik hoor Grote Oma zeggen: “Pien doet altijd stoer, ze wil alles maar iets lachend brengen”. Het ouwe wief heeft gelijk. Waarom zou ik in vredesnaam stoer moeten zijn?

Ik ben in elkaar gedeukt. En het lukt me niet om mezelf weer glad te strijken.  En daar zoek ik dus hulp voor. Niet om jouw dood te vergemakkelijken. Niet om te vergeten. Niet om te herdenken. Maar om me te laten weten dat je nooit meer door die deur naar huis zal komen.

Om te accepteren. En om de gedachten aan jou niet meer weg te drukken.  Dat die achttien jaar, twee maanden en twee dagen alles is dat ik nog van je heb. En dat er echt niks meer komt, hoelang ik het ook uitstel. Ik zal altijd blijven vloeken, alles en iedereen verwensen omdat jij doodging en zij  niet.

Maar misschien lukt het me met hulp van buitenaf om ’s ochtends met een glimlach te beginnen, en niet met een stoer smoelwerk. En dat ik gewoon de Primark kan inlopen en binnen één kwartier weer buiten sta,  jij had altijd minstens drie kwartier nodig voordat alles gekeurd  en gepast was. Take your time, sweetie.

Schrijven.

19 Apr

Weet je, lief kind? Dat ik weet dat het nooit zal wennen. Dat ik iedere keer bij het horen van jouw muziek in dat bodemloze gat zal blijven vallen.

Dat ik soms stiekem dacht dat het wel zou wennen. Je zou zien als iets dat ooit was. Uit zelfbehoud. Dat ik wil schrijven, schrijven, schrijven. Maar dat ik beter naar bed kan gaan.

 

 

Dat.

23 Mrt

 

Morgen is het anderhalf jaar geleden dat je dood ging. Ik zou nog steeds, geblinddoekt, met mijn neus je uit een rij van jongens herkennen. Maar ik zal nooit meer weten hoe je nu was geweest. Nooit meer ‘eerste keren’ meemaken. Soms probeer ik me voor te stellen hoe je leven er nu had uit kunnen zien, als je niet dood was gegaan die vroege zaterdagochtend in september. Omdat ik niet weet hoe je je ontwikkeld had. Het staat allemaal stil bij die datum, die maand.

Van de week werd ik wakker en realiseerde me dat het in al mijn dromen september blijft. Dat dat mijn uitgangspunt blijft.  Dat ik altijd vanaf die maand blijf leven. Dat ik droom over een nieuw huis in februari en dan denk nog vijf maanden de tijd te hebben om te verhuizen.

Dat ik me soms schaam omdat ik lach en verder leef. Dat Saar, het meisje van zes waarop ik pas, aan me vraagt waarom jij dood bent gegaan en dat ik dan geen goed antwoord kan geven.

Dat die foto van jou en Wout, rennend op het strand naar de zee in Normandië,  me iedere keer als ik in de keuken sta  zo’n grote opdonder geeft. Maar daarom hang ik hem op ook, denk ik.  Dat ik moet huilen om je. Dat ik je zo mis. Dat mijn vrienden me laten blijven praten over jou en niet zeggen “Nou is het wel genoeg, ga verder”.  Dat je ouwe knuffelbeest allang niet meer naar jou ruikt maar alleen nog maar naar mijn zielige moeder tranen en zweet.

Dat het lijkt als of ik alleen nog maar rond de 24ste van iedere maand  stil sta bij je dood. Dat ik niet durf terug te denken aan ons oude huis. Waar nu iemand anders woont die misschien zo maar jouw kamer inloopt of misschien wel een feestje geeft in de opkamer waar jij speelde en waar wij voor het laatst samen waren.

En dat je nooit de plek zal zien waar ik nu woon en ben. Dat deze plek nooit van jou zal zijn. Alleen die van dat rennende lijfje op het strand in de keuken. En al die andere foto’s van je, als poging om je hier te houden.

Ik wou dat het 23 september 2016 was en dat je ziek was en in je veilige bed bleef liggen, de hele dag, avond, nacht en jaar. Mis je zo, lief menneke.

Zestien maanden.

24 Jan

 

Vandaag ben je één jaar en vier maanden dood. Soms bekruipt me de gedachte dat het al bijna gewoon is dat je er niet bent. Dat het went, dat het steeds moeilijker is om je te plaatsen in mijn leven nu.

Maar dan rijdt er een jochie voorbij op een zwarte scooter. Maar dan zie ik een smiley zoals jij op je helm had. Maar dan zie ik rode gympies.

En dan vind ik je laatste aansteker in mijn tas. En dan hou ik ’s nachts je knuffelbeest aan zijn pootje vast. En dan steek ik kaarsjes aan bij je foto. En dan moet ik huilen. En vraag mezelf af wat ik in godsnaam die afgelopen zestien maanden na je dood heb gedaan.

Dat het gister lijkt, dat het een soort vacuüm is waar ik in ronddobber. Maar dat er ook mensen zijn die het lang genoeg geleden vinden om je dood niet meer te noemen. Die over onbelangrijke dingen gaan praten. En dat ik daar dan maar gewoon in meega.

En dat ik steeds vaker op onverwachte momenten moet huilen. Tijdens gewone dingen. Bij gezellige borrels. Al die tranen die er niet uitkwamen toen je net dood was. En gelukkig gebeurt me dat alleen bij mensen die dat begrijpen.

Er zitten van die dagen bij. Dat ik de hele dag nog met niemand gesproken heb. Het is geen vervelende eenzaamheid maar drukt me wel met mijn neus op de feiten. Dat ik naast jou ook je broers niet meer als vanzelfsprekend om me heen heb. En dan wil ik nog wel eens zielig gaan zitten doen op mijn bankje. Ook al sms en app ik met ze.

Maar toch, Pikkieman, is mijn leven ook mooi en goed, kan ik genieten van lekker eten met vrienden. Plezier hebben in dingen, uitkijken naar iets leuks. En kan me gelukkig voelen. Draag ik die zestien maanden als een dode rugzak met me mee maar kan wel lachen om leuke dingen. Als je überhaupt  nagedacht had over een erfenis op je achttiende dan weet ik zeker dat je iedereen veel plezier en pret had nagelaten.

Carpe Diem. Dat lukt me steeds vaker. Vernietigende pijn wordt  weemoed. Ook al zou ik nog steeds alles doen om je terug te krijgen. Zelfs voor eventjes.

Zoon1 des Bouvrie

19 Dec

Mijn oudste zoon. De eerstgeborene.  Die jarenlang van zijn kamer een No Go Area maakte. En als ik dan eens  een beginnetje maakte met het opruimen van de zooi, haakte ik snel af na het vinden van 137 Pringles dozen volgepropt  met lege pistachenootjes schilletjes. Waarom? ”Waarom ? ” vroeg ik mijn kind. Ik vroeg het zo dikwijls maar kreeg nooit antwoord.

Trap je nooit in een rondvliegend schroefje? Waar is je vuile was? Hoe vind je je bed terug in die troep? Hoe beweeg je je überhaupt in het donker voort? Het heeft een naam. Hoarding. En ondanks het feit dat zoon1 een prettig hoog IQ heeft, verdacht ik hem daar soms wel van.

De totale desinteresse over hoe zijn kamer er uitzag, de oorlogsverklaringen mijnerzijds, dat ik weigerde zijn kamer nog schoon te maken, het deed hem allemaal niets. Ik hield mijn hart vast als ik dacht aan de tijd dat hij op zich zelf zou gaan wonen.

Gister ging ik kijken. Naar zijn eigen gekochte flat waar hij sinds het weekend woont. Ik schrok! Ik kon gewoon naar binnen lopen. De vloer was te zien en in plaats van her en der rondverspreid lagen er nu keurige stapeltjes met gescheiden afval, klaar voor de kliko.

Hij was naar meubelzaken geweest en dat zag ik. Gigantische eettafel met stoelen ( Ja, mam, die hoezen kunnen er af en kan ik dus wassen en eventueel van kleur wisselen), hanglampen die matchenden met de gordijnen , een strak bureau met nette opberglades, een tweepersoonsbed (Je weet maar nooit, dacht ik), een dankzij vrienden meer dan gevulde besteklade in de keuken. Ik was er stil van.

Toen gingen we samen nog even naar de Ikea omdat zoon1 nog wat kleine dingetjes nodig had en mijn auto groter is dan de zijne. En dat was maar goed ook. Voor mijn ogen ontsprong de latente Jan des Bouvrie die mijn zoon toch altijd geweest had moeten zijn. De megashopper werd volgestouwd met servies, lampjes voor op de nachtkastjes, tweepersoons dekbedden uiteraard met twee verschillende maar bij elkaar passende hoezen, snijplankjes voor in de keuken ( na een half uurtje dubben toch de groene genomen) , een extra ladenkastje voor het bureau en over het dressoir wilde hij nog even nadenken. Niet dat dat nog in mijn Volvo had gepast…

Ik keek verbijsterd naar dit creatuur. Mijn bloedeigen zoon, die lege cola flessen als jacht trofeeën liet slingeren in zijn hol en het geen reet interesseerde hoe zijn kamer er uit zag, verdiepte zich ineens in de kwaliteit van donzen dekbedden, de lichtsterkte van bedlampjes en ophangsystemen voor gordijnen  en of de kleuren wel bij elkaar pasten.

Volgeladen reden we Duiven uit richting zijn kraakverse eigen plek. Toen we alles naar boven hadden gebracht vroeg hij: “Wil je misschien wat drinken?” Opvoeding geslaagd, dacht ik zo.

 

Dat het moeilijk was voor mij om hem daar in zijn eentje achter te laten, zal iedere moeder begrijpen. Het grote loslaten.  En alle dingen die we meegemaakt hebben. Hij woont op tien minuutjes afstand van mij. Ongeveer een half pakje papieren zakdoekjes.