Wouter.

18 Apr

De twee politieagenten die die zaterdagochtend heel vroeg op onze bank zaten vroegen of we iemand konden bellen. Familie of iemand anders die steun kon bieden. Ik zei dat ik je opa en oma al gebeld had en dat die er aan kwamen. Tegelijkertijd zag ik dat Wouter niet meer in de woonkamer zat en ik ging op zoek naar hem.

Ik vond hem aan de voorkant van het huis. Hij zat met de deur open op de drempel te kijken naar de oprit. Te wachten op jullie opa. Bijna op datzelfde moment reed de auto van mijn vader het grind op. Er werd niks gezegd, alleen maar gehuild in elkaars armen. En Wout, die broer van je die nooit wat zegt tijdens het avondeten, omarmde iedereen.

Ik zag toen pas de politieauto op de oprit staan en dat maakte de vreselijke boodschap pas echt realistisch. Twee politieagenten kunnen het nog mis hebben maar een auto niet. Een politieauto liegt niet. Er was dus echt iets heel ergs met je gebeurd.

Maar Wouter wist dat allemaal al. Wouter was de eerste die me vasthield toen de agenten zeiden dat je dood was. Die lieve broer van je met zijn grote hart. Door een kinderpsychiater in Tiel afgeserveerd  als autist en ADHD-er. Met alvast een receptje voor medicatie erbij. Wat ben ik blij dat ik niet naar haar geluisterd heb. Dat ik na afloop met je broer naar de McDonalds ben gegaan om te vieren dat we wisten wat er in zijn koppie speelde en daar op onze eigen manier aan gingen werken.

Dat ik mijn gevoel heb gevolgd. Dat die grote beer van een broer van je me vasthield en niet meer losliet. Dat hij die ochtend glazen water voor me bleef halen. Dat hij na de afloop van jouw crematiedienst met mijn handtas rondliep omdat hij wist dat ik die zou vergeten mee te nemen.

Die lieve grote beer. Die verteld werd door zijn laatste stagebegeleiders dat hij beter een ander beroep kon kiezen omdat hij volgens hen niet met mensen kon omgaan.  Op dat adres laat ik binnenkort een kuubje of honderd koeienstront afleveren. En ik weet dat je het met me eens zou zijn geweest.

Vaag.

11 Apr

Zaterdagavond schrok ik. Ik was bij een filmfestival en bedacht me dat je dat animatiefilmpje dat ik zag heel erg leuk had gevonden. Ik wist zeker dat je erom had moeten lachen. Dat bedacht ik me….en vervolgens lukte het me niet om je lach te herinneren. Je lach, je stem, je gemopper , je antwoorden. Het was allemaal even weg, vervaagd.

Ineens was er een gapend zwart gat waar jij had moeten zitten en ik zei boos tegen me zelf dat het veel te vroeg was voor je om te vervagen in mijn hoofd. Paniekerig zocht ik mijn geheugen af naar je stemgeluid. En dat lukte.

Maar ik werd wel bang. Stel je nou toch voor dat ik nooit meer zou kunnen horen hoe je klonk, hoe je eruit zag? En wat was ik toen blij dat we in het heden leven. Het heden en verleden vastgelegd op foto’s en films en audiomateriaal. Tegenwoordig kun je iemand bijna niet meer vergeten door al het bewijs dat er is van zijn of haar bestaan hier.

Maar ik schrok dus effe wel, Piet. Voelde me bijna een ontaarde moeder. Dat ik na een half jaar al niet meer zou weten hoe je stem klonk.

Toch merk ik dat de pijn en de scherpe randjes iets minder scherp worden, iets vager. Snap je wat ik bedoel? Jij weet als geen ander hoe ik ’s avonds op mijn bedbank lig te janken en me vasthoud aan het geflakker van de kaarslichtjes bij je foto. Jij bent bij me tijdens de dagelijkse paniekaanval in de supermarkt. Jij houdt mijn hand vast als ik hyperventilerend in de file sta. Maar jij weet ook dat het steeds beter gaat. Dat ik soms de winkel uitloop en huppel omdat het goed ging. En dan vervaag je echt niet.

Dan hoor ik je loud and clear in mijn hoofd. Dan weet je dat ik het verder red in mijn eentje en dan zeg je op zijn Surinaams  “Mam, ik ben weg”.  En dan zeg ik “Veel plezier, jochie”.

Stilte.

6 Apr

’s Avonds als iedereen naar bed is, de kippen in het hok zitten, de verwarming uit is en er een stilte heerst in huis, hoor ik jou het meest. De geluiden van overdag kunnen je dan niet meer overstemmen en ik word iets harder geconfronteerd  met jouw afwezigheid.

Maar dat is niet erg. Ik verwelkom de uren dat we met zijn tweeën zijn. Waarin ik even met niemand iets te maken heb, alleen met jou. Ik voel toch je aanwezigheid om me heen ook al ben je er niet echt meer. Mijn herinneringen, mijn gedachten, mijn gevoel, mijn verdriet. Mijn mooie kind.

En het spijt me zo dat je niet meer mee kan maken waar ik allemaal mee bezig ben omdat ik weet dat je graag had meegedaan. Dingen verzinnen, dingen maken, buiten effe samen een peuk roken en dan weer verder achter de naaimachine en tekentafel.

In deze rustige uren ben je wel even hier en probeer ik je te horen. Probeer je terug te luisteren, terug naar hier. Waar je hoort. Waar ik je zo mis.

Soms kom je aanrijden op je scooter en slaakt mijn ongeruste moederhart een verlichte zucht. Totdat ik op het laatste moment zie dat jij het helemaal niet bent. En dan is het even heel erg. Echt heel erg, Pik. Maar daar kun jij niks aandoen. Is niet jouw schuld.

En dat probeer ik je te vertellen in die stille uurtjes hier in huis. Ik ben niet boos op je. Ik schreeuw niet dat je godverdomme had moeten blijven pitten bij je vrienden. Ik gil niet dat je moet remmen. Ik zeg helemaal niks. Ik luister naar de stilte. Ik probeer je te horen. En ik hoor je. En ik zie je gezicht zo levendig voor me. En ik hou van je. En ik mis je.

Zonder jou.

29 Mrt

Ik kan natuurlijk niet tegen mijn zonen zeggen dat de lol er een beetje af is. Dat ik wel hardop lach maar met een schamper hart. Dat ik in alle gezinssituaties Pieter ergens tussen prop. En nog steeds in elkaar krimp iedere keer dat ik vier in plaats van vijf borden uit de kast pak ook al at hij zo vaak niet mee.

En dat ik me nu ineens, al schrijvende, realiseer dat ik over je schrijf in de derde persoon in plaats van direct tegen je. Daar schrik ik even van. Dat voelt niet lekker. Alsof je er niet meer bent. Want dat zal je altijd zijn, lief stoer joch van me. Bij alles wat ik doe zit je in mijn hoofd. Soms te veel, soms te weinig maar je bent er altijd. In mijn hoofd. In mijn gedachten. Bij al het moois en lelijks wat ik denk.

Bij iedere godskolere verdoemde lantaarnpaal op een middenberm denk ik aan je en geloof me, dat zijn er heel veel. Ieder jochie op een scooter zet me op mijn plaats. Iedere keer bij het boodschappen doen gooi ik bijna iets in mijn karretje dat alleen jij lekker vindt.

Vond.  Verleden tijd, moeders. Wen er nou eens aan. Al kan ik me niks voorstellen bij verleden tijd van jou. Dat kan ook niet. Je bent achttien jaar, twee maanden en twee dagen zo’n belangrijk deel van me geweest. Je hebt negen maanden in mijn buik gezeten. Ik was de enige die je al kende voor je geboren was.

Ik ben liever de rest van mijn leven verdrietig dan dat ik je zou vergeten of niet meer aan je zou denken. Je bent een stukje van mij. Zonder jou was ik nooit geworden wie ik nu ben. Maar zonder jou ben ik nu niet meer wie ik was.

 

Een half jaar en één dag.

27 Mrt

Na een half jaar en één dag was ik eindelijk op de plek waar jij dood bent gegaan. Eindelijk gestopt en uit de auto gestapt. Daar stond ik dan, bij jouw lantaarnpaal. Ik voelde me bekeken door de mensen in de passerende auto’s. Maar dat wisten ze niet. Dit was zoiets tussen jou en mij, zo privé, daar hoorden geen onbekenden bij.

Ik zag de afdruk van je helm op de paal, na al die maanden  een beetje vervaagd. Ik wist door de foto’s precies waar je gelegen had, waar al dat bloed uit je hoofd gestroomd was. Waar je linkerschoen en sok terecht waren gekomen. En waar je scooter als een gesneuvelde draak op het asfalt geëindigd was.

Voorzichtig keek ik naar de stoeptegels, bang dat ik nog wat bloed zou zien. Bang eigenlijk voor ieder bewijs van je dood hier, op deze rare plek. Ik stond daar maar alsof ik een teken van je verwachtte. Iets, een geluid of desnoods een dooie duif die uit de lucht flikkerde. Dat gebeurde natuurlijk allemaal niet.

Wel kreeg ik een teken van je vrienden en vriendinnen. Samen met Robin en Just hadden ze je op de avond hiervoor herdacht, weer op deze plek in het schemerlicht. Ze hebben je nichtje en neefje alle speciale Pieter-plekken laten zien. De cafetaria waar je altijd een frietje at, de Chillroom waar je dingen deed die Robin en Just hopelijk nog niet doen en uiteindelijk de plek waar je gestorven bent. Er lagen bossen bloemen, kaarsjes, en een flesje Mexicaans bier. ( Die jij altijd van mij pikte als ik ze gekocht had). En het petje hing nog steeds aan de paal.

Ik voelde me dicht bij je op de plek. Ik wilde huilen maar dat lukte niet. Ik liet een beetje  van je daar maar het meeste nam ik met me mee naar huis. Een half jaar en één dag. Ik mis je, Piet.

Nee.

22 Mrt

Het is kwart voor twaalf, midden in de week. Waarom zou ik naar bed gaan? Als ik ga slapen en morgenochtend wakker word is er niks veranderd. Ben je nog steeds dood. Begint er weer een nieuwe dag zonder jou. Dood blijkt toch behoorlijk onherroepelijk. Dood. Als ik het maar twee keer hardop denk in mijn hoofd dan voel ik mijn middenrif doormidden branden.

Vanmiddag kwam ik een oud-collega-schoolplein-moeder tegen. We hadden het over onze moederangsten. Want naast opscheppen over al die kwaliteiten van ons grut, wisten we ook dat met één dirigeerstokje van die klootzak in de hemel, alles over kon zijn.

Angsten waar je dagelijks meeleeft. Is een kind te laat thuis? Dan krijg je de bibbers. Wordt er door school gebeld, dan zak je door je knieën voor je goed hoort wat ze zeggen. En dat toen haar dochter na de val van een paard op de grond lag, het ambulancepersoneel  vroeg naar de geboortedatum. Ze kwam niet verder dan “Het is iets met een drie…”

Ik dacht altijd dat ik ter plekke zou gaan overgeven. Op zijn minst flauw zou vallen als iemand mij zou vertellen dat er een kind van me dood was. Niets van dat al. Niks dramatisch. Ik liep de trap af met mijn hand voor mijn mond en zei “Nee”. Ik hoefde niet over te geven. Ik viel niet flauw. Ik zei en wilde alleen maar “Nee”.

 

Tattoo

20 Mrt

Vanochtend was ik bij de tattooshop in Nijmegen. Ik wilde je naam laten zetten aan de binnenkant van mijn pols. In een heel bescheiden lettertje zonder dramatische toevoegingen als ‘Forever’ of met een rood hart erbij. Maar wel precies op de plek die mijn hart raakt als ik mijn arm tegen mijn lichaam zou houden.

Harry, de tattooman, had zelf bijna geen onbeschreven vel meer op zijn lichaam maar jouw naam op mijn pols zetten wilde hij niet. Tenminste, niet zoals ík wilde. Ik wilde je naam kunnen lezen als ik naar mijn pols zou kijken. Maar dat kon niet volgens Harry want dan zou de rest van wereld het op zijn kop zien.

“Ja, dat snap ik” zei ik kalm en bedaard. “Maar deze tattoo is dan ook niet voor de rest van de wereld maar alleen voor mij. Een symbool dat iets betekent voor mij.” Harry bleef onverbiddelijk. Op mijn herhaaldelijk vragen waarom hij daar dan toch zo’n moeite mee had bleef hij maar zeggen dat het technisch fout was. ( Nou is Harry van origine Engelsman, geloof ik, dus even dacht ik dat de door mij gewenste tattoo technisch niet uitvoerbaar zou zijn. Lulkoek, dus)

Ik gooide het over een andere boeg, zei dat jij niet zo maar een nieuw vriendje was maar mijn zoon en dat het zetten van je naam op mijn pols heel veel voor mij betekende. Harry zei nee. Ik liet Harry foto’s op mijn mobiel zien waarop polsen stonden met namen getatoeëerd precies op de manier waarop ik dat graag wilde. Harry zei nee.

Andere inktmannen begonnen zich er mee te bemoeien en zeiden ook allemaal nee. Ik vervolgde mijn betoog en verzekerde ze dat niemand van die rest van de wereld mijn tattoo zou zien omdat er een mouw overheen zat. Nee zeiden de mannen. “En als ik nou beloof dat ik er een pleister overheen doe als ik op het strand lig?” probeerde ik. Nee zeiden de mannen.

Toen werd ik kwaad. Dat heb ik wel vaker als ik mijn zin niet krijg. Je ziet godverdomme de meest walgelijke tattoo’s op nog walgelijkere mensen en een naam in een bescheiden lettertype , ook al stond hij dan op zijn kop, zou niet uitvoerbaar zijn. Al liet ik knettergroot ’ KUT’ op mijn voorhoofd tatoeëren, dat is mijn zaak.

Dus speelde ik mijn laatste troef uit en zei: “Pieter is mijn jongste zoon en hij is een half jaar geleden verongelukt. Hij is dood, snappen jullie dat?” En ik liet heel gemeen de foto van jou zien in het mortuarium toen ze je gezicht nog niet hadden schoongemaakt. Onder de zwarte inkt verbleekten de mannen, er werd nerveus aan allerlei lichaamsoneigen metaal gefrunnikt en zenuwachtig geschuifeld met stoere Dr Martins. Nee zeiden de mannen.

Ik droop af. Ging onverrichterzake naar huis. Daar moet ik nog ergens een kroontjespen hebben liggen en een potje zwarte inkt. Er zal “Pieter” op mijn pols komen te staan. Op de manier zoals ik het wil.