Schrijven.

19 Apr

Weet je, lief kind? Dat ik weet dat het nooit zal wennen. Dat ik iedere keer bij het horen van jouw muziek in dat bodemloze gat zal blijven vallen.

Dat ik soms stiekem dacht dat het wel zou wennen. Je zou zien als iets dat ooit was. Uit zelfbehoud. Dat ik wil schrijven, schrijven, schrijven. Maar dat ik beter naar bed kan gaan.

 

 

Advertenties

Dat.

23 Mrt

 

Morgen is het anderhalf jaar geleden dat je dood ging. Ik zou nog steeds, geblinddoekt, met mijn neus je uit een rij van jongens herkennen. Maar ik zal nooit meer weten hoe je nu was geweest. Nooit meer ‘eerste keren’ meemaken. Soms probeer ik me voor te stellen hoe je leven er nu had uit kunnen zien, als je niet dood was gegaan die vroege zaterdagochtend in september. Omdat ik niet weet hoe je je ontwikkeld had. Het staat allemaal stil bij die datum, die maand.

Van de week werd ik wakker en realiseerde me dat het in al mijn dromen september blijft. Dat dat mijn uitgangspunt blijft.  Dat ik altijd vanaf die maand blijf leven. Dat ik droom over een nieuw huis in februari en dan denk nog vijf maanden de tijd te hebben om te verhuizen.

Dat ik me soms schaam omdat ik lach en verder leef. Dat Saar, het meisje van zes waarop ik pas, aan me vraagt waarom jij dood bent gegaan en dat ik dan geen goed antwoord kan geven.

Dat die foto van jou en Wout, rennend op het strand naar de zee in Normandië,  me iedere keer als ik in de keuken sta  zo’n grote opdonder geeft. Maar daarom hang ik hem op ook, denk ik.  Dat ik moet huilen om je. Dat ik je zo mis. Dat mijn vrienden me laten blijven praten over jou en niet zeggen “Nou is het wel genoeg, ga verder”.  Dat je ouwe knuffelbeest allang niet meer naar jou ruikt maar alleen nog maar naar mijn zielige moeder tranen en zweet.

Dat het lijkt als of ik alleen nog maar rond de 24ste van iedere maand  stil sta bij je dood. Dat ik niet durf terug te denken aan ons oude huis. Waar nu iemand anders woont die misschien zo maar jouw kamer inloopt of misschien wel een feestje geeft in de opkamer waar jij speelde en waar wij voor het laatst samen waren.

En dat je nooit de plek zal zien waar ik nu woon en ben. Dat deze plek nooit van jou zal zijn. Alleen die van dat rennende lijfje op het strand in de keuken. En al die andere foto’s van je, als poging om je hier te houden.

Ik wou dat het 23 september 2016 was en dat je ziek was en in je veilige bed bleef liggen, de hele dag, avond, nacht en jaar. Mis je zo, lief menneke.

Zestien maanden.

24 Jan

 

Vandaag ben je één jaar en vier maanden dood. Soms bekruipt me de gedachte dat het al bijna gewoon is dat je er niet bent. Dat het went, dat het steeds moeilijker is om je te plaatsen in mijn leven nu.

Maar dan rijdt er een jochie voorbij op een zwarte scooter. Maar dan zie ik een smiley zoals jij op je helm had. Maar dan zie ik rode gympies.

En dan vind ik je laatste aansteker in mijn tas. En dan hou ik ’s nachts je knuffelbeest aan zijn pootje vast. En dan steek ik kaarsjes aan bij je foto. En dan moet ik huilen. En vraag mezelf af wat ik in godsnaam die afgelopen zestien maanden na je dood heb gedaan.

Dat het gister lijkt, dat het een soort vacuüm is waar ik in ronddobber. Maar dat er ook mensen zijn die het lang genoeg geleden vinden om je dood niet meer te noemen. Die over onbelangrijke dingen gaan praten. En dat ik daar dan maar gewoon in meega.

En dat ik steeds vaker op onverwachte momenten moet huilen. Tijdens gewone dingen. Bij gezellige borrels. Al die tranen die er niet uitkwamen toen je net dood was. En gelukkig gebeurt me dat alleen bij mensen die dat begrijpen.

Er zitten van die dagen bij. Dat ik de hele dag nog met niemand gesproken heb. Het is geen vervelende eenzaamheid maar drukt me wel met mijn neus op de feiten. Dat ik naast jou ook je broers niet meer als vanzelfsprekend om me heen heb. En dan wil ik nog wel eens zielig gaan zitten doen op mijn bankje. Ook al sms en app ik met ze.

Maar toch, Pikkieman, is mijn leven ook mooi en goed, kan ik genieten van lekker eten met vrienden. Plezier hebben in dingen, uitkijken naar iets leuks. En kan me gelukkig voelen. Draag ik die zestien maanden als een dode rugzak met me mee maar kan wel lachen om leuke dingen. Als je überhaupt  nagedacht had over een erfenis op je achttiende dan weet ik zeker dat je iedereen veel plezier en pret had nagelaten.

Carpe Diem. Dat lukt me steeds vaker. Vernietigende pijn wordt  weemoed. Ook al zou ik nog steeds alles doen om je terug te krijgen. Zelfs voor eventjes.

Zoon1 des Bouvrie

19 Dec

Mijn oudste zoon. De eerstgeborene.  Die jarenlang van zijn kamer een No Go Area maakte. En als ik dan eens  een beginnetje maakte met het opruimen van de zooi, haakte ik snel af na het vinden van 137 Pringles dozen volgepropt  met lege pistachenootjes schilletjes. Waarom? ”Waarom ? ” vroeg ik mijn kind. Ik vroeg het zo dikwijls maar kreeg nooit antwoord.

Trap je nooit in een rondvliegend schroefje? Waar is je vuile was? Hoe vind je je bed terug in die troep? Hoe beweeg je je überhaupt in het donker voort? Het heeft een naam. Hoarding. En ondanks het feit dat zoon1 een prettig hoog IQ heeft, verdacht ik hem daar soms wel van.

De totale desinteresse over hoe zijn kamer er uitzag, de oorlogsverklaringen mijnerzijds, dat ik weigerde zijn kamer nog schoon te maken, het deed hem allemaal niets. Ik hield mijn hart vast als ik dacht aan de tijd dat hij op zich zelf zou gaan wonen.

Gister ging ik kijken. Naar zijn eigen gekochte flat waar hij sinds het weekend woont. Ik schrok! Ik kon gewoon naar binnen lopen. De vloer was te zien en in plaats van her en der rondverspreid lagen er nu keurige stapeltjes met gescheiden afval, klaar voor de kliko.

Hij was naar meubelzaken geweest en dat zag ik. Gigantische eettafel met stoelen ( Ja, mam, die hoezen kunnen er af en kan ik dus wassen en eventueel van kleur wisselen), hanglampen die matchenden met de gordijnen , een strak bureau met nette opberglades, een tweepersoonsbed (Je weet maar nooit, dacht ik), een dankzij vrienden meer dan gevulde besteklade in de keuken. Ik was er stil van.

Toen gingen we samen nog even naar de Ikea omdat zoon1 nog wat kleine dingetjes nodig had en mijn auto groter is dan de zijne. En dat was maar goed ook. Voor mijn ogen ontsprong de latente Jan des Bouvrie die mijn zoon toch altijd geweest had moeten zijn. De megashopper werd volgestouwd met servies, lampjes voor op de nachtkastjes, tweepersoons dekbedden uiteraard met twee verschillende maar bij elkaar passende hoezen, snijplankjes voor in de keuken ( na een half uurtje dubben toch de groene genomen) , een extra ladenkastje voor het bureau en over het dressoir wilde hij nog even nadenken. Niet dat dat nog in mijn Volvo had gepast…

Ik keek verbijsterd naar dit creatuur. Mijn bloedeigen zoon, die lege cola flessen als jacht trofeeën liet slingeren in zijn hol en het geen reet interesseerde hoe zijn kamer er uit zag, verdiepte zich ineens in de kwaliteit van donzen dekbedden, de lichtsterkte van bedlampjes en ophangsystemen voor gordijnen  en of de kleuren wel bij elkaar pasten.

Volgeladen reden we Duiven uit richting zijn kraakverse eigen plek. Toen we alles naar boven hadden gebracht vroeg hij: “Wil je misschien wat drinken?” Opvoeding geslaagd, dacht ik zo.

 

Dat het moeilijk was voor mij om hem daar in zijn eentje achter te laten, zal iedere moeder begrijpen. Het grote loslaten.  En alle dingen die we meegemaakt hebben. Hij woont op tien minuutjes afstand van mij. Ongeveer een half pakje papieren zakdoekjes.

Post!

28 Nov

Sinds een maand heb ik een bijbaantje. Twee keer per week bezorg ik post in een vaste wijk in Nijmegen. Want er moet natuurlijk wel brood op de plank komen en hiermee kan ik het beleg betalen. Je krijgt de post aangeleverd in kratten waarop je vervolgens gaat sorteren op straat en nummers. Volgens een geniale wiskundige berekening dacht ik met zo weinig mogelijk verlies de perfecte looproute gevonden te hebben.

En daar ging ik. Niet per fiets met de obligate zeilen kleptassen maar met een ouwe mevrouwen boodschappentrolley. Uiteraard opgepimpt met veelkleurig Mexicaans tafelzeil.

Het is een hele aparte cultuur, dat postbezorgen. Op Internet vond ik allerlei sites en op de werkvloer had ik meteen een band met collega’s van de concurrerende bedrijven. De Marokkaanse jongen met de bus voor pakketjes, de in elkaar gezakte man met zijn scootmobiel en de chagrijnige vent op de fiets die bijna dezelfde route deed als ik. Je groet elkaar, iedere straathoek weer!

Natuurlijk is het niet altijd mooi weer. Dat merkte ik vorige week toen ik in de stromende regen rondliep, mijn leesbril helemaal natgespetterd waardoor ik niks meer zag en alle post verkeerd bezorgde.

Daarnaast heb je de ellende van de geborstelde gleuf. Van die brievenbussen met stevig kokoshaar om tocht te weren. En mijn hand. Probeer daar maar eens een envelopje van de Belastingdienst in één vloeiende beweging naar binnen te krijgen. Harmonica gevouwen valt het uiteindelijk op de mat.

En omdat meer dan de helft van mijn wijk een pitbull als huisdier heeft word je halverwege het naar binnen schuiven van die blauwe envelop gegrepen door venijnige hondentanden. Oké, ze missen mijn vingers op een haar na maar de belastingaangiftebrief is verwoest.

Toch is het leuk werk. Lekker lopen, overpeinzen, conditie opbouwen en Zen. Dus daar loop ik met mijn kleurknallende trolliewollie, in bloemetjesjurk met cowboylaarzen. Vanochtend stond ik verdwaasd te kijken naar een serie postbussen van een flat. Er kwam een oud mannetje voorbij die mij wel even helpen zou want hij kende iedereen in de flat. Ik zei: “Wat een rare nummering”.  Waarop hij zei: “Maar jij bent ook een rare postbode.”

De vrienden van Pieter.

11 Nov

NV

8 Nov

De letters van mijn nieuwe postcode zijn NV. Naamloze Vennootschap was het eerste wat ik dacht. Maar vrij snel daarna bedacht ik Nieuwe Vrouw. Want hier, in mijn nieuwe huis, begin ik niet overnieuw maar wel verder én anders. Ik ben niet meer wie ik was. Er is een stukje kwijt dat ik nooit terug zal vinden. Toch moet ik verder zonder dat verdomd belangrijke stukje. Vandaar dat ik een Nieuwe Vrouw zal worden, ben.

Nooit Vergeten. Natuurlijk niet, ik zou niet kunnen. Maar hier, waar ik nu woon, ben jij nooit geweest. Deze deur heb je nooit eens woedend achter je neergeknald. Op deze wc-vloer heb je nooit naast de pot gepist. Hier heb je nooit gehuild en ook nooit gelachen. Toch ben je hier bij me. Er hangen foto’s van je aan de muur alsof ik ooit vergeten zou hoe je eruit zag.

Na Verdriet. Ik ben nog niet na mijn verdriet. Ik denk dat ik dat ook nooit zal zijn. Nog steeds voel ik de pijn daadwerkelijk in mijn lichaam, nog steeds schrik ik van de zin “Pieter is dood”. Maar ik heb geleerd het overdag ergens te parkeren. Als ik iets anders moet doen. Zoiets simpels als boodschappen. Ik kan natuurlijk niet iedere keer jankend Radlertjes in mijn boodschappenwagentje mikken of snikkend langs de magnetron hamburgers lopen. Ik kan zelfs plezier hebben in dingen, ik kan lachen ook al vinden sommige mensen dat vreemd. Maar die hebben dan ook geen kind verloren.

Nu Verder. Ja, ik zal wel moeten. Jij zou de eerste zijn die me een schop onder mijn kont zou verkopen als ik hier zielig zou zitten doen in mijn flatje. Carpe Diem was niets voor niets je lijfspreuk. Dus ik pluk de dag als ik ’s ochtends met betraande ogen wakker word. Ik pluk de dag en zet hem in een vaasje op tafel. Soms heb ik geen zin om te plukken maar gelukkig zijn er 365 dagen in één jaar. Ik mis je, lief kind.