Op.

18 Jul

Jochie, jochie. Wat heb ik het moeilijk. Wat weegt je dood toch tonnen zwaar. Ik speel verstoppertje maar word daar natuurlijk keihard voor gestraft. Want na alle vrolijke dingen, de ‘er is niets aan de hand dingen’, eindig ik toch altijd weer hier, in de kamer waar jij dood lag te wezen.

En dan kan ik er niet meer omheen. Ik word een schamper wezen, mijn hartslag haalt me in, hoesten wordt kokhalzen en ik hyperventileer als een ouwe koe.

Zaterdag ben je jarig en ik wou dat het al zondag was. Ik wil dat het al 25 september 2017 is. Ik wil alles voorbij hebben en gedaan. Ik wil geen mijlpaaldagen meer, ik wil alles vroeger hebben.

En het lukt je steeds meer om door te dringen in mijn niets-aan-de-hand-leven. Lopen er tranen over mijn wangen tijdens een gezellig avondje uit, bijt ik mijn wangen kapot als ik jochies met rode gympies zie en wil ik soms niks meer, op als ik ben. Het leven is zo kaal zonder jou. Te vaak momenten dat ik denk dat ik dit niet red.

En kaal zal het altijd blijven,  je bent een te groot stuk van mijn zijn. Maar ik modder voort. Ik hoor je stem in mijn hoofd en voel je schop onder mijn kont. Ja, ik weet het, lief kind van me. Je houdt niet van zwakke mensen. Hup, actie en niet zeuren. Maar de laatste weken lukt dat allemaal niet zo. Het raakt een beetje op.

Hoe ik dat moet oplossen weet ik niet. Ik modder voort. Ik huil. Ik lach. Ik mis je.

Rotdagen.

4 Jul

De rotdagen. Van die dagen dat ik veel te veel jongetjes op scootertjes passeer en in een flits denk je te herkennen. Ondanks de helm en juist door de rode gympies. Die rotdagen waarin ik niet weet waarom mensen zeggen dat ik sterk ben.  Want ik voel me niet sterk. Ik wil ook niet sterk zijn. Ik wil huilen, schreeuwen, schoppen, kotsen, me schandalig gedragen, alles behalve m’n zelfbeheerste ik zijn.

Ik wil in bed blijven liggen. De gordijnen dicht. Geen geluiden alleen maar ik met mijn gedachten en herinneringen aan jou. Maar ik blijf mijn zelfbeheerste ik .

Zo word ik heen en weer geslingerd in die rotdagen. Het zijn grauwe dagen. Alles is muf, stil, doods en verdrietig. En de klomp pijn in mijn buik groeit verder, absorbeert iedere zwarte gedachte en kleit er een nieuwe laag mee.

Ik ben niet sterk. Ik ben gewoon te laf om toe te geven aan de pijn. Ik durf niet. Want stel je voor dat ik eindelijk snap dat je dood bent en nooit meer terugkomt. Wat moet ik dan?

Bij ieder geel paaltje met een pijl op een blauw bordje bijt ik op mijn tanden en geef gas. Door. Verder. Er niet bij stilstaan des te eerder is het over. Maar op die rotdagen besef ik dus dat het nooit over zal zijn. Hoeveel gas ik ook geef. Hoe hard ik ook wegrij van je dood.

Wouter

2 Jul

Mensen vroegen me vaak hoe het nu met je broers ging. En dan hoorde ik je in mijn hoofd zeggen dat die broers van je zich niet interesseerden in jouw doen en laten en had je als kritiek dat ze bijvoorbeeld nooit vroegen hoe het met de, op dat moment, vriendin ging.

Toch hebben die twee grote broers van je, samen met je beste vrienden, de kist waarin je lag helemaal naar de voorkant van de zaal gereden.  En zijn daar blijven staan volgens het scenario tot het nummer van Colio was afgelopen.

Floris stond links van je, berustend op de plek vlak naast je hoofd. Wouter aan de andere kant. En Wouter vond het niet fijn om daar zo in het bijna middelpunt van de aandacht te staan. Dat zag ik aan zijn kop. Je kent Wout dus je weet vast wat ik bedoel. Hij was dan ook de eerste die zei, na afloop van het nummer van Colio, “Tis klaar, we mogen gaan”.  En dat lipleeste ik toen ik de video bekeek.

Tijdens de dienst zat Wouter naast me. Floris aan de andere kant. Ik had zo’n behoefte om mijn levende zonen naast me te weten, jouw broers waarvan ik nu pas de erge kwetsbaarheid besefte. En ze hielpen mij die rare dienst door. Waar ik maar bleef denken dat er een vergissing was gemaakt. Dat het niet mijn kind was dat daar in die kist lag. Niet jij, mijn zoon die altijd honderd engeltjes op zijn schouder had.

Wout, de broer waarmee je het minste ruzie had. Hij is zo veranderd. Je zou hem moeten zien. Hij kiest ineens zijn eigen weg en durft commentaar te geven op alles wat er tegen hem gezegd wordt. Hij komt voor zichzelf op en daar ben ik zo blij om. Hij loopt bij de huisarts naar de balie als hij niet snel genoeg geholpen wordt. “Wout?!”  hoor ik je zeggen. Ja, Wout.

Daar staat een vent. Wouter. Met baard en lang haar. Ik zie hem staan en denk “Godver, wat heb ik toch een mooie kinderen gemaakt”. Ik weet niet of jouw dood er aan heeft bijgedragen dat Wouter nu een soort van ‘ontpopt’ is. Maar voor het geval dat, dan ben ik je heel dankbaar. En je grote broers houden echt wel van je ook al dacht je dat van niet.

 

De week.

20 Jun

Het was de week van de eindexamenuitslagen. Ik zag overal tassen en vlaggen uit huizen hangen. Jij had dit jaar ook je diploma gehaald. Pies of keek omdat je nu eindelijk een strak plan voor je toekomst had.

Iedere vlag deed me een beetje zeer. Ik was natuurlijk blij voor de achterliggende scholier maar ik was wel de hele week triest.

Afgelopen week vertelde mijn fysiotherapeute me, die in de oudercie van je school zit, dat er op verzoek van de leerlingen en leraren er tijdens de diploma uitreikingen en bijbehorende  festiviteiten  weer even stil zou worden gestaan bij jouw dood maar ook bij jouw leven.

Ik hoorde de emotie in haar stem maar beet op mijn wang. Pas toen ik in de auto naar huis reed moest ik huilen. Soms komen tranen die niet gevallen zijn in de afgelopen maanden ineens tegelijk naar boven.

Ik huilde. Ik jankte. Ik vervloekte iedere tegenligger die er aan kwam. “Waarom ben jij niet dood in plaats van mijn zoon?” En ik was blij dat ik de weg naar huis uit mijn hoofd kende want ik zag geen moer. Maar dat dus na bijna negen maanden er nog niets geheeld is, nog niks gewend, nog nooit niet immer altijd never geaccepteerd is.

Het zij zo. Ik wil te snel en word soms corrigerend op mijn neus getikt. “Niet te stoer doen, Polleke” hoor ik mijn oma zeggen. Weet ik, lief wief. Ik was toevallig vandaag kersen aan het plukken en bedacht me dat ik morgen een grote zak vol voor haar zou meenemen.

Dat dus. En dat ik diepverdrietig aan mijn vader appte dat ik zo moest huilen om dat bericht van school. Dat ze je nog niet vergeten zijn en je willen noemen tijdens de slotdagen. Dat me dat zo vreselijk goed deed maar dat ik wel moest huilen. Waarop hij zei; “Ik ook”.

We zijn nog niet klaar met je, Pieter. Je bent in alles wat we doen. Ik draaide vanmiddag nog één van je favoriete nummers. Time of your life. Van Slim Shore and Code Black. Zo mooi en zo toepasselijk.  En ik zie je. Ik zie je op festivals helemaal uit je dak gaan. Feesten, het leven vieren, oneindige pret. Je zal er altijd bij zijn.

Bloemkolen.

12 Jun

Ik zie nog steeds mensen achter de bloemkolen of piepers duiken als zij mij zien in de supermarkt. Want ze weten niks te zeggen tegen mij als ik ze zie. Dat snap ik wel. Ik word daar ook niet boos of verdrietig over. Ik heb dat zelf ook eens gedaan toen ik de vader van een overleden kind zag lopen. Ineens moest ik toevallig, plotseling, die ene winkel in.

Want wat moet je zeggen? Wat wil je zeggen? Wat is troostend en wat niet? Ik dook die winkel in en schaamde me dood. Dat ik niet het lef had om met verdriet geconfronteerd te worden. Ik, die dat verdriet niet eens zelf meemaakte.

Nu zijn de rollen al bijna negen maanden  omgedraaid. Ik heb ervaren dat mensen je negeren. Omdat ze , als ze ‘Hoi’ zeggen, eigenlijk ook verplicht zijn te vragen hoe het met je met je gaat. En ze weten donders goed dat de kans bestaat dat jij je hele ellendige baggerzooi over hun én die bloemkolen gaat uitstorten. En dat midden in de Albert Heijn. Dus duiken mensen weg achter de aubergines en pakken melk. En ik vergeef het ze. Ik begrijp dat echt wel.

Des te mooier zijn de ontmoetingen waarbij mensen wel die stap durven te nemen. En wat voelt dat goed! Die ex-collega-schoolpleinmoeder. Die in haar Mini  gewoon vol in de remmen ging om me aan te spreken.  Die jonge moeder van drie kinderen die ik ken via de antiekzaak van haar moeder. Die schrikt als ik binnenkom maar daarna het lef heeft om niet alleen ‘Hoi ‘ te zeggen maar ook naar me toe durft te komen en te vragen hoe het gaat.

Dat doet me goed. Zo verschrikkelijk erg goed. Het voelt een beetje als delen van mijn verdriet zodat het wat minder zwaar is. Dragelijker. Begrepen. Van alles maar vooral fijn.

Ontslag.

9 Jun

Al sinds jouw dood flikkert de lamp hier in de gang naast mijn kamer op gezette tijden. Niet vaak, niet continue maar wel op een manier die aangeeft dat hij binnen een seconde of wat de geest zal geven.

Maar dat gebeurt niet. Om de zoveel tijd flikkert en flakkert het licht en dan denk ik dat jij dat bent. Dat je probeert een boodschap door te geven. Een teken of wat dan ook. Maar laten we duidelijk zijn, ik geloof niet in een hiernamaals, ik geloof niet in geesten. Maar toch is het een prettige gedachte te denken dat jij het bent die wilt zeggen dat je aan me denkt.

Ik heb niets meer van je. Geen levend lijf, geen woorden, geen zoen, niks tastbaars. Je bent helemaal weg en daarom zoek ik misschien wel naar dingen waaruit zou kunnen blijken dat je toch nog een beetje hier bent. Ook al druist dat tegen al mijn principes en geloof in.

Liefhebbende moeders zijn eigenwijs. Ze willen dingen zien dus doen ze dat. En het helpt me een beetje. Ik vind troost in dat flakkerende lichtje dat na een seconde of wat weer normaal licht geeft. Al negen maanden lang. Een speciaal soort spaarlamp. Een moederhartenspaarlamp dus.

Ik heb niets meer van je. Alleen de herinneringen aan jou, je armen om me heen, jij zoals alleen jij kon zijn. Ik verbaas me nog elke dag dat ik verder blijk te kunnen gaan. Dat ik ben zonder dat jij er bent.

Ik ben er, maar niet helemaal. En de afgelopen dagen besefte ik dat ik straks, over een maandje of wat, je broers ook niet meer dagelijks zal zien als die ingebakken vanzelfsprekendheid die dat was. En dat gegeven zorgde er voor dat ik me de laatste paar dagen bodemloos verdrietig voel. Dat ik strompel om de dagen door te komen. Dat ik jou zo mis en straks je broers ook nog eens. Ook al is dat dan anders.

Ik ben ontslagen. Van de baan die ik het liefste deed. Zorgen voor mijn jongens. Het is klaar, het is gedaan. Maar mijn moederhart huilt.

 

 

Weer verder.

23 Mei

Ik ben druk. Ik ben vrolijk. Er gebeuren mooie dingen en ik ga verder. Maar ik kijk vaak om het hoekje. Daar zit jij. Ik voel me soms bijna verplicht om aan je te vragen of ik verder mag. Idioot natuurlijk maar ik zit nog in de fase waarin ik schrik van mijn eigen lach. Dat ik blij kan zijn met vooruitgang. Dat ik überhaupt kan leven zonder jou.

Dat ik er bewust voor kies niet naar de foto’s van jouw ongeluk te kijken. Niet de beelden wil zien van de schouw, jij in je blote kont met die mooie kop van je vol verbazing. Ik weet dat al die video’s en foto’s  me ongenadig hard terug zullen slingeren in die duistere dagen van eind september 2016. In die verloren en onvoorstelbare pijnlijke staat. Dat ik vreselijk moet huilen. Dat mijn wereld toen stil stond. Dat weet ik, lief kind.

En daarom kijk ik niet, liefste Pieter van de hele wereld. Ik kijk niet omdat ik verder moet en wil. Jij bent echt wel bij me op elk moment maar op een liefhebbende en vertrouwde manier.  Bij alles wat ik doe zweef je prettig in mijn gedachten en om mijn oren. Ik kan je bijna aaien, ik ruik vleugjes jouw in de hoekjes van mijn leven.

Ik zou alles opgeven om je terug te krijgen maar weet donders goed dat geen enkel offer dat waar kan maken. En het voelt alsof ik daar steeds meer vrede mee kan hebben. Het ligt niet aan mij, mijn liefde voor jou is einde- en grenzeloos maar niet machtig genoeg om je weer hier te toveren.

Moeders kunnen wel willen maar zelfs moeders botsen soms tegen hun grenzen. Dus ik ben bezig. Ik ga verder en vooruit. Met grote stappen en met mijn kont tegen de krib. Jij kent je moeder. En die eigenwijsheid heb je dus echt van mij. Of ik van jou. Laat ze maar lullen, wij doen wat wij denken dat goed voor ons is.

Vannacht pak ik je lievelingsknuffel weer bij zijn voorpootje vast. Altijd en altijd en overal zal ik aan je denken. Voel ik je aanwezigheid, mis je en hou godverdomme zoveel van je.