Zoon1 des Bouvrie

19 Dec

Mijn oudste zoon. De eerstgeborene.  Die jarenlang van zijn kamer een No Go Area maakte. En als ik dan eens  een beginnetje maakte met het opruimen van de zooi, haakte ik snel af na het vinden van 137 Pringles dozen volgepropt  met lege pistachenootjes schilletjes. Waarom? ”Waarom ? ” vroeg ik mijn kind. Ik vroeg het zo dikwijls maar kreeg nooit antwoord.

Trap je nooit in een rondvliegend schroefje? Waar is je vuile was? Hoe vind je je bed terug in die troep? Hoe beweeg je je überhaupt in het donker voort? Het heeft een naam. Hoarding. En ondanks het feit dat zoon1 een prettig hoog IQ heeft, verdacht ik hem daar soms wel van.

De totale desinteresse over hoe zijn kamer er uitzag, de oorlogsverklaringen mijnerzijds, dat ik weigerde zijn kamer nog schoon te maken, het deed hem allemaal niets. Ik hield mijn hart vast als ik dacht aan de tijd dat hij op zich zelf zou gaan wonen.

Gister ging ik kijken. Naar zijn eigen gekochte flat waar hij sinds het weekend woont. Ik schrok! Ik kon gewoon naar binnen lopen. De vloer was te zien en in plaats van her en der rondverspreid lagen er nu keurige stapeltjes met gescheiden afval, klaar voor de kliko.

Hij was naar meubelzaken geweest en dat zag ik. Gigantische eettafel met stoelen ( Ja, mam, die hoezen kunnen er af en kan ik dus wassen en eventueel van kleur wisselen), hanglampen die matchenden met de gordijnen , een strak bureau met nette opberglades, een tweepersoonsbed (Je weet maar nooit, dacht ik), een dankzij vrienden meer dan gevulde besteklade in de keuken. Ik was er stil van.

Toen gingen we samen nog even naar de Ikea omdat zoon1 nog wat kleine dingetjes nodig had en mijn auto groter is dan de zijne. En dat was maar goed ook. Voor mijn ogen ontsprong de latente Jan des Bouvrie die mijn zoon toch altijd geweest had moeten zijn. De megashopper werd volgestouwd met servies, lampjes voor op de nachtkastjes, tweepersoons dekbedden uiteraard met twee verschillende maar bij elkaar passende hoezen, snijplankjes voor in de keuken ( na een half uurtje dubben toch de groene genomen) , een extra ladenkastje voor het bureau en over het dressoir wilde hij nog even nadenken. Niet dat dat nog in mijn Volvo had gepast…

Ik keek verbijsterd naar dit creatuur. Mijn bloedeigen zoon, die lege cola flessen als jacht trofeeën liet slingeren in zijn hol en het geen reet interesseerde hoe zijn kamer er uit zag, verdiepte zich ineens in de kwaliteit van donzen dekbedden, de lichtsterkte van bedlampjes en ophangsystemen voor gordijnen  en of de kleuren wel bij elkaar pasten.

Volgeladen reden we Duiven uit richting zijn kraakverse eigen plek. Toen we alles naar boven hadden gebracht vroeg hij: “Wil je misschien wat drinken?” Opvoeding geslaagd, dacht ik zo.

 

Dat het moeilijk was voor mij om hem daar in zijn eentje achter te laten, zal iedere moeder begrijpen. Het grote loslaten.  En alle dingen die we meegemaakt hebben. Hij woont op tien minuutjes afstand van mij. Ongeveer een half pakje papieren zakdoekjes.

Advertenties

Post!

28 Nov

Sinds een maand heb ik een bijbaantje. Twee keer per week bezorg ik post in een vaste wijk in Nijmegen. Want er moet natuurlijk wel brood op de plank komen en hiermee kan ik het beleg betalen. Je krijgt de post aangeleverd in kratten waarop je vervolgens gaat sorteren op straat en nummers. Volgens een geniale wiskundige berekening dacht ik met zo weinig mogelijk verlies de perfecte looproute gevonden te hebben.

En daar ging ik. Niet per fiets met de obligate zeilen kleptassen maar met een ouwe mevrouwen boodschappentrolley. Uiteraard opgepimpt met veelkleurig Mexicaans tafelzeil.

Het is een hele aparte cultuur, dat postbezorgen. Op Internet vond ik allerlei sites en op de werkvloer had ik meteen een band met collega’s van de concurrerende bedrijven. De Marokkaanse jongen met de bus voor pakketjes, de in elkaar gezakte man met zijn scootmobiel en de chagrijnige vent op de fiets die bijna dezelfde route deed als ik. Je groet elkaar, iedere straathoek weer!

Natuurlijk is het niet altijd mooi weer. Dat merkte ik vorige week toen ik in de stromende regen rondliep, mijn leesbril helemaal natgespetterd waardoor ik niks meer zag en alle post verkeerd bezorgde.

Daarnaast heb je de ellende van de geborstelde gleuf. Van die brievenbussen met stevig kokoshaar om tocht te weren. En mijn hand. Probeer daar maar eens een envelopje van de Belastingdienst in één vloeiende beweging naar binnen te krijgen. Harmonica gevouwen valt het uiteindelijk op de mat.

En omdat meer dan de helft van mijn wijk een pitbull als huisdier heeft word je halverwege het naar binnen schuiven van die blauwe envelop gegrepen door venijnige hondentanden. Oké, ze missen mijn vingers op een haar na maar de belastingaangiftebrief is verwoest.

Toch is het leuk werk. Lekker lopen, overpeinzen, conditie opbouwen en Zen. Dus daar loop ik met mijn kleurknallende trolliewollie, in bloemetjesjurk met cowboylaarzen. Vanochtend stond ik verdwaasd te kijken naar een serie postbussen van een flat. Er kwam een oud mannetje voorbij die mij wel even helpen zou want hij kende iedereen in de flat. Ik zei: “Wat een rare nummering”.  Waarop hij zei: “Maar jij bent ook een rare postbode.”

De vrienden van Pieter.

11 Nov

NV

8 Nov

De letters van mijn nieuwe postcode zijn NV. Naamloze Vennootschap was het eerste wat ik dacht. Maar vrij snel daarna bedacht ik Nieuwe Vrouw. Want hier, in mijn nieuwe huis, begin ik niet overnieuw maar wel verder én anders. Ik ben niet meer wie ik was. Er is een stukje kwijt dat ik nooit terug zal vinden. Toch moet ik verder zonder dat verdomd belangrijke stukje. Vandaar dat ik een Nieuwe Vrouw zal worden, ben.

Nooit Vergeten. Natuurlijk niet, ik zou niet kunnen. Maar hier, waar ik nu woon, ben jij nooit geweest. Deze deur heb je nooit eens woedend achter je neergeknald. Op deze wc-vloer heb je nooit naast de pot gepist. Hier heb je nooit gehuild en ook nooit gelachen. Toch ben je hier bij me. Er hangen foto’s van je aan de muur alsof ik ooit vergeten zou hoe je eruit zag.

Na Verdriet. Ik ben nog niet na mijn verdriet. Ik denk dat ik dat ook nooit zal zijn. Nog steeds voel ik de pijn daadwerkelijk in mijn lichaam, nog steeds schrik ik van de zin “Pieter is dood”. Maar ik heb geleerd het overdag ergens te parkeren. Als ik iets anders moet doen. Zoiets simpels als boodschappen. Ik kan natuurlijk niet iedere keer jankend Radlertjes in mijn boodschappenwagentje mikken of snikkend langs de magnetron hamburgers lopen. Ik kan zelfs plezier hebben in dingen, ik kan lachen ook al vinden sommige mensen dat vreemd. Maar die hebben dan ook geen kind verloren.

Nu Verder. Ja, ik zal wel moeten. Jij zou de eerste zijn die me een schop onder mijn kont zou verkopen als ik hier zielig zou zitten doen in mijn flatje. Carpe Diem was niets voor niets je lijfspreuk. Dus ik pluk de dag als ik ’s ochtends met betraande ogen wakker word. Ik pluk de dag en zet hem in een vaasje op tafel. Soms heb ik geen zin om te plukken maar gelukkig zijn er 365 dagen in één jaar. Ik mis je, lief kind.

As.

10 Okt

Afgelopen zaterdag hebben we met de familie de as van grote oma uitgestrooid op die speciale plek waar ook de as van tante Marian was verspreid. Een bijzondere plek voor ons en ik vond dat jij daar ook bij moest zijn. Dus had ik stukjes van jou in een paars boterhammentrommeltje meegenomen. En een ordinair plastic zakje eromheen voor het geval het trommeltje per ongeluk open zou gaan.

Toen we zoveel jaar geleden de as van tante Marian gingen uitstrooien stonden al onze auto’s aan het begin van de bosrand en liepen we met de hele familie door het weiland van de paarden waar zij voor zorgde. Terwijl we daar liepen struikelde ik over iets in het gras. Het was een hoefijzer. Allemaal vonden we dat een mooi teken van Marian en we namen het mee naar de rand van het weiland. Het hoefijzer is later aan de mooiste boom langs de kant gehangen. En verdomd, zoveel jaar na dato hing het er nog.

Goed, daar stonden we, Pieter. In de stromende regen. We waren over prikkeldraad geklommen, dat stond er eerst nog niet, de familie was uitgebreid met vrolijke kleine nichtjes maar toch was het een mooi punt van herkenning. Ik hoorde weer de toespraak van mijn oom Karel die jouw favoriete oom was. Ik voelde weer even de verslagenheid van de dood van Marian. Ik ben nu al ouder dan dat zij ooit geweest is en dat doet nog steeds pijn.

Grote oma had als uitgesproken wens dat haar as bij die van Marian zou worden uitgestrooid. Eindelijk weer samen. En dat deden we. En omdat ik het zo’n mooie familieplek vond wilde ik ook wat van jou daar achterlaten. Dat je de mooie vrouwen van mijn familie gezelschap zou houden. Ze aan het lachen kon maken. Dat zij niet alleen zouden zijn. Dat jij niet alleen bent. Dat ik, alhoewel ik beter weet, kan denken dat jullie daar ’s avonds, tegen schemerlicht, met zijn drietjes een sigaret opsteken met een drankje, alcoholisch natuurlijk want je bent achttien, en een fijne avond hebben. En een fijne morgen, middag en nacht.

Dat ik het bijzonder vond. Drie mensen waar ik heel veel van hou, samen op een mooie plek. Onder een hoefijzer, onder een boom, onder zoenen van ons, onder onze tranen.

Het regende,  het waaide. Toen ik jouw as onder de boom verstrooide, ontstond er een klein wolkje. Later zag ik dat een deel van je as aan mijn stoere laarzen was blijven plakken. Je hebt het hele weekend met me meegelopen.

24-09-2017

26 Sep

 

En toen was je één jaar dood. Stiekem hoopte ik dat na 24 september 2017 het allemaal makkelijker zou worden. Maar toen ik die ochtend om vijf uur wakker werd en niet meer kon slapen wist ik dat dat niet ging lukken.

Ook al is er één jaar voorbij, ook al hebben alle seizoenen langs je gezicht geblazen, zijn alle dagen van het afgelopen jaar beleefd zonder jou. Maandag 25 september. Een jaar geleden haalde ik je op uit het mortuarium. Een moeder zonder voorbereiding. Een moeder met een plastic tasje met kleren en schoenen. Een moeder die niet kon huilen om je dode lijf daar. En geholpen werd door moeders die wel huilden.

Afgelopen zondag waren je beste vrienden hier. En dat was mooi. We hadden het goed, leuke verhalen over jou, prettige herinneringen en ook momenten dat iedereen even stil viel. Even in gedachten bij jou. En dat je er eigenlijk gewoon tussen had moeten zitten. Maar dat dat echt niet meer kan.

Je vrienden gaan zo dapper door. Vertelden me dat ze na een jaar niet meer dagelijks aan je denken maar dat je voor altijd in hun hart en hoofd zit. En ik was zo trots, Pik. Al die jongens en meisjes in onze tuin, met alleen maar mooie en liefhebbende getuigenissen. Wat heb je veel voor hun betekend. Wat was je een gewaardeerde vriend. Ik genoot er van.

Die zelfde avond, 24 september 2017, zijn je maatjes de tocht van het OBC terrein naar die klote lantaarnpaal begonnen met een minuut stilte. Daarna met fakkels naar De Plek gelopen. Ik zag de foto de dag erna en ik moest huilen. En ik was trots.

Wonen.

18 Sep

Ik hoop dat als ik woon waar jij nooit gewoond hebt, het beter met me gaat. Dat ik niet meer in iedere hoek, achter elke deur je schaduw zie. Geen kinderstemmetjes die weerklinken in alle kamers van het huis. Geen troep meer om op te ruimen. Geen overgebleven eten dat ik voor je warm maakte.

Dan maar liever stiltes. En lege herinneringsloze ruimtes. Geen flikkerende lampen. Geen verdwaalde sokken van je die ik nog steeds tegen blijf komen. Cold turkey afkicken. Waar ik straks mijn ogen dicht doe, ben jij nog nooit geweest. Ik hoop dat dat het helpt. Niet dat ik je wil vergeten, echt niet.

Ik moet door, verder, blijven ademhalen en leven. Ik zal altijd aan je blijven denken. Altijd van je blijven houden. Maar het huis waarin je bijna je hele leven gewoond hebt strooit teveel zout in mijn wond. Teveel extra verdriet.

Over zes nachten ben je één jaar dood. Het staat ook hier zwart op wit. Maar vergeef me dat ik het nog steeds niet geloof. Dat ik een jaar geleden nog zo zorgeloos in het leven stond. Dat ik niet wist. Hoe is het mogelijk dat ik zoiets ergs niet van te voren heb gevoeld?

Ik, zo’n moeder die minstens drie keer per nacht checkte of je brommerhelm wel op het kastje in de gang lag en dat ik dan wist dat je veilig thuis was gekomen.

Die vrijdagnacht heb ik dat niet gedaan. Ik sliep aan één stuk door tot je vader om kwart over vijf ’s ochtends me wakker maakte en zei: “Je moet naar beneden komen. De politie is er. Pieter is dood”. En vanaf toen werd alles anders.