Archief | januari, 2013

de hak

30 jan

Drie MAVO was het dan eindelijk zover. Ik had gespaard en gespaard en eindelijk kon ik die felbegeerde korte cowboylaarsjes met stoer schuin aflopende hak kopen. Gecompleteerd met overdadig beritste spijkerbroek was ik klaar voor het uitgaansleven. Let wel, voor u in lachen uitbarst, we spreken hier over eind ’79, vorige eeuw. Voor Doe Maar, als u dat wel wat zegt.

Enigszins wankelend betrad ik de dansvloer maar had al gauw de tred te pakken. Swingend vertrapte ik met mijn hakken menig jongenshart maar dansen lukte perfect met die paar centimeters meer. Helaas voor mijn hakvaardigheid brak er daarna op de HAVO een andere kleding- en schoenenfase aan. De college-look! Blauwe polo’s met de kraag omhoog en natuurlijk bordeaux rode Penny Shoes. En die had je niet met hak. Plat was het, niet platvloers maar toch.

Tijdens mijn studententijd werd het ook niet veel beter. Zwart geverfde gympies en Dr Martens die na een paar maanden weerzinwekkende geuren opleverden maar uitermate geschikt waren voor een avondje ruig, ongecontroleerd dansen op barbaarse muziek.

Maar toen! Toen kreeg ik een baan waarbij ik regelmatig bij belangrijke mensen van belangrijke bedrijven op bezoek moest. En hopla, terug was de rok én de behakte schoen! Ook al hield ik dat bescheiden, keurig blokhakje, maar toch. Met mijn geringe lengte had ik wel wat meer kunnen gebruiken maar overdaad schaadt. Ik leerde met mijn hakken elegant de bedrijfstrappen af te dalen en mij over productievloeren te bewegen. Zodra ik weer veilig terug in mijn auto was pleurde ik ze weliswaar meteen op de achterbank om daarna mijn comfortabele loafers aan te trekken. Maar hakvaardig was ik.

Totdat ik beviel van mijn eerste zoon en huisvrouw werd… Hakken tijdens het stofzuigen ziet er dan wel heel erg leuk uit op een clipje van Freddy Mercury maar dat is het niet. En zo verviel ik van kwaad tot erger. Steeds platter werd mijn schoeisel, gelijk op- of afgaand, zo u wilt, met de vrouwelijke uitstraling. Ik berustte in mijn lot. Wist de grens te trekken bij UGGS en die plastic klompen maar toch.

Tot de dag dat ik een wervelend tangofilmpje zag. Vanaf dat moment had ik nog maar één doel voor ogen!! De tango leren dansen! Yeah! Super elegante visioenen had ik van mijzelf op tangoritme’s…maar op welke schoen? En daar begon mijn speurtocht naar een schoen met een charmante dansbare hak, niet te hoog, niet te laag maar precies goed.

Ben nog niet begonnen met lessen maar de schoenen heb ik al…

La route

17 jan

Je maakt wat mee in ziekenhuizen. In de ellenlange route die je moet volgen passeer je Islamitische gebedsruimtes, stiltekapels en ziekenhuiskappers die overigens altijd leeg en verlaten lijken te zijn. Me dunkt, de kapper lijkt mij wel het laatste waar je aan denkt tijdens een langdurig naar ziektebed.

Vervolgens kom je in de lange, met marmer bevloerde en middelmatige kunst behangen gang terecht die jou naar je eindbestemming zal leiden. Onderweg kom je zoveel ernstige wonden en strompelende zielen tegen dat jouw eventuele genezing per pas minder wordt. Om de zes meter staan er automaten waaruit je bloemenvazen van waterdicht karton kan trekken en die je vervolgens de komende honderd meter doen afvragen waarom jij niet op dat fantastische idee bent gekomen.

Uiteindelijk beland je via de aangewezen  route op de aanvoerplaats van de ambulances en weet je ternauwernood nog erger letsel te voorkomen. Terug bij een herkenningspunt hervat je je route en verdomd, je komt na tien minuten bij de juiste poli aan. Na tien minuten word je naam geroepen, alleen springen er twee vrouwen met dezelfde achternaam hoopvol op. Na enig gebekvecht blijkt dat jij toch echt diegene bent die mee mag en triomfantelijk verlaat je de wachtkamer.

Om vervolgens terecht te komen in een claustrofobisch klein hokje waar je je mag ontdoen van je bovenkleding. Uiteraard is de verpleegkundige op dat moment een man. Door de punctie van de week ervoor is de bovenkant van je lichaam paarsblauwlichtgeel en je ziet de man schrikken. “Mijn man slaat me” zeg je en je ziet het grapje niet terug in de ogen van het personeel. Je laat je gelaten tegen een ijskoud paneel aan duwen.

Terug op de stippelroute ga je voor de volgende locatie die tergend makkelijk te vinden was. De, met een onmiskenbaar Pools accent behepte, verpleegkundige sluit je wederom op in zo’n benauwd hokje. Gelukkig mocht je B.H. aanblijven dit keer. Scheelt weer telefoontjes naar het Blijf van mijn Lijfhuis.

Liggend op de behandeltafel krijg je onverwachts een warm kwakje op je buik gespoten. Allerlei gore associaties verder geef je toe toch de voorkeur aan de koude variant te geven. Er wordt heen en weer geschoven over je buik met een apparaat en ieder moment verwacht je te horen “Het is een jongen!”. Maar dat gebeurt niet.

Met kleverige buik  word je huiswaarts gestuurd alwaar je al nagelbijtend de uitslag mag afwachten.

traffic jam 2013

15 jan

 

Uiteraard op de dag dat ik vroeg in Nijmegen moest zijn voor een nijpend onderzoekje zou er veel sneeuw gaan vallen en werd men aan alle kanten gewaarschuwd. Ik vertrok daardoor op een tijdstip dat mij in ieder geval drie keer heen en weer liet rijden bij afwezige misstanden. En dat bleek maar goed ook want ik kwam zomaar gratis en voor niets terecht in De Aller Drukste Ochtendspits ooit. De af te leggen afstand doe ik normaal in twintig minuten maar dit keer dus niet. Anderhalf uur, dames en heren. Aan het eind kreeg iedereen een lintje en medaille.

Eén kostbare minuut voor mijn afspraak arriveerde ik en werd besprongen door allerlei hongerige artsen wiens patiënten nog wel in de file stonden. De terugreis was een makkie maar dat had misschien te maken met het feit dat men in het ziekenhuis radioactieve vloeistof in mij gespoten had zodat de auto’s, gelijk de Rode Zee voor Mozes, uiteen weken en mij er door lieten.

’s Middags begon het weer te sneeuwen en in mijn rit naar Nijmegen beet ik nagel terwijl mijn handen aan het stuur vast gewrongen waren. Desondanks verliepen de heen- en terugreis voorspoedig ook al hoorde ik veel te vaak het geluid van de werkende ABS. Glijdend over de plattelandswegen bereikte ik uiteindelijk het veilige thuishonk.

Mijn hoofd stond natuurlijk absoluut niet naar koken, is wel vaker zo maar nu had ik een goed excuus. Dus stuurde ik wederhelft de weg op om wat friet en kroketten te gaan vangen met zijn oerknots. Na tien minuten ging de telefoon.

“Kom hier heen!! Ik ben van de dijk af geslipt! “ sprak de frietenjager met zogenaamd beheerste, gecontroleerde doch uiterst hysterische stem. Nu had ik net mijn handen losgeweekt uit de verwrongen stuurstand en zag dat eigenlijk niet zo zitten. “Bel de ANWB of takeldienst maar, je kan die auto niet in de uiterwaarden laten staan” bitste ik. U, trouwe lezer, weet dat hij dat ook altijd bij doet als ik met pech en paniek ergens sta. Gelukkig voor wederhelft was het geen hoog water meer en bleven zijn voeten droog.

Ik ging naast de telefoon zitten en wachtte met de stopwatch in mijn hand. Drie en halve minuut later “Ze komen niet! Rij nou maar hier naar toe want we moeten de friet ophalen!!” Typisch wederhelft, aan de dood ontsnapt, vangrails weggeramd, auto beschadigd maar waar denkt hij aan? Aan de friet. Dus stuurt hij mij, zijn liefhebbende echtgenote rücksichtlos de gladde dijk op. Liever het risico nemen van twee auto’s in de fluviale klei dan zijn frietje missen.

Ver na etenstijd kwamen we met een zak koude friet thuis. Winter, I love it…

de rat

3 jan

Ratten. Ze zijn er nu eenmaal en we zullen ’t er mee moeten doen. Ratten in een grote vieze stad vind ik goor en eng. Hier op het platteland is het gewoon een beest dat voorbij loopt. Als je er van uit gaat dat ratten besmettelijke ziektes verspreiden moet je er ook van uit gaan dat ratten in smerige biotopen huizen. En dat kun je van onze sloten niet zeggen, in ieder geval niet sinds wij een degelijke riolering in plaats van een beerput hebben.

Eens op vakantie in Frankrijk zwommen de zonen in een helder beekje. Lekker koel want het was bloedheet. Al zwemmende zagen zij twee ratten voorbij komen. Gaan wij dan gillen? Nee. Kijk, je hebt natuurlijk wel die enge waterslangetjes in la douce France, dan moeten ze wel meteen het water uit komen van mij maar dat is wat anders.

Maar goed, de beestjes hebben hun stempel gekregen en komen daar sinds de 17-de eeuw niet meer vanaf. Onze buurvrouw, geboren en getogen in de boerderij naast ons, meldt nog altijd vol vreugde dat haar honden een nest ratten hebben opgevroten. Tuurlijk, ratten, net als muizen, konijnen, mollen en ganzen veroorzaken schade hier en daar maar als je daar niet tegen kan ga je maar in de stad wonen.

Zo red ik regelmatig jonge ratjes uit de hoge ton met hondenvoer.  Ze klimmen en vallen en kunnen er niet meer uit. De honden doen wanhoopsdansjes om de ton want zij kunnen er juist niet in klimmen. Ik red dan zo’n lief beestje met armpjes van bont en hun handjes in glacé handschoentjes gestoken. Goed, die staart is wat minder, daar kijken we dus niet naar. Maar zo’n babyratje gaat mooi buiten het bereik van de honden de vrijheid in.

Alle padden die per ongeluk in de kelder donderen worden weer netjes buiten uitgezet en bakken vol met van de dood geredde muizen en vogels hebben we hier al in huis gehad. Niks “Laat de natuur zijn gang gaan”, wij hebben hier een bultrugmentaliteit!!

Uiteraard betekent dat ook dat de hele tuin bezaaid is met zielige dode dierengraven en dat ieder voorjaar weer een verrassing kan zijn als je je spa ergens in de grond steekt.

Hoe kom ik hier nu op? Vanochtend toen ik in alle vroegte over de dijk scheurde alhier kon ik ternauwernood een overstekende man ontwijken. Hij stapte vanachter zijn auto de weg over en in de gauwigheid kon ik nog net op de zijkant van zijn busje “woelrattenbestrijding” lezen.

Want die hebben we hier ook. Flinke jetsers met dikke staarten. Doen niks. Alleen maar wat graven onder de dijken. En daar kunnen de dijken niet tegen. Dus ben ik blij dat ik de woelrattenmeneer met zijn vallen niet overhoop gereden heb. Voor die instelling is een woord, ben ’t alleen effe vergeten…