Archief | februari, 2013

wissewasjes….

27 feb

 

De oplettende lezer onder u weet dat ik iets met ruitenwissers heb, Of juist niet, dat is aan jullie. Aan een auto zitten heel veel makkelijk verwoestbare onderdelen, ik hou het beschaafd. Eén keer in de twaalf jaar een kapotte uitlaat maar meer ook niet.

Zo anders ben ik met ruitenwissers. Rijd ik normaal gesproken om allerlei Unheimische pechgevallen heen, dat gebeurt me niet met ruitenwissers. Ik geef toe, het is een gave om onder de meest gewone omstandigheden je ruitenwissers aan gort te rijden maar ik kan het.

Kijk, als het gevroren heeft en je je ruiten moet krabben dan weet je dat je je wissers nog even niet aan moet zetten. Ze zitten vastgevroren als ouwe kippen op een stok en hebben de eerste vijf minuten geen zin in een dansje. Dat weet ik en dat realiseer ik me ook. Alleen vergeet ik dat ik de dag ervoor in de stromende regen thuis kwam en mijn auto parkeerde zonder de ruitenwissers uit te zetten.

Gevolg, twee krampachtig, losscheurende en voortbewegende wissers waarvan er één na twee minuten een langwerpig randje rubber uitbraakte dat zich als een verdwaalde spermatozoïde verplaatste over mijn voorruit.  Goed, geen onoverkomelijk euvel, ook zonder rubberrandje kan een ruitenwisser nog heus wel wat water verplaatsen.

Dus rechts rubberloos scheurde ik door de Betuwse wegen en overleefde zelfs de bietencampagne zonder zwanger te worden van rechts. Tot die ene avond met sneeuw en vorst. Het was laat en ik gunde mijn auto wat tijd om op te warmen en de voorruit te ontdooien. Vervolgens reed ik de nu toch wel wat heftigere sneeuwstorm in.

Na twee meter bleef de linker ruitenwisser halverwege de voorruit stijfpotig staan. Niets hielp, klappen, tikken, schreeuwen, vergeet het maar. De rechterruitenwisser die mij trouw wenste te blijven deed verwoede pogingen om de ruit schoon te houden maar kwam daarbij te vaak in botsing met zijn kwaadaardige stiefbroer.

Dus reed ik stapvoets naar huis, maar goed achteraf gezien want het bleek glad te zijn, en probeerde mijn blik over de gestrande Brutus heen te werpen. Voorlopig liever geen regen ,dat begrijpt u.

 

leuk joh, carnaval…

26 feb

Toen mijn vriendinnen en ik tijdens het Carnavalsweekend een kroeg zochten zonder hoempapageweld bleek dat dit nog niet zo eenvoudig was. Logisch, onder de Waal, het volk was er klaar voor en kroegbazen gingen zelf de hort op met rare pruiken en lieten de dorstigen die zaterdagavond aan hun lot over.

Uiteindelijk vonden wij op een verlaten landtong van de Waal een café waar het Carnavalsgedruis beslist afgelopen zou zijn na zes uur. Vrolijk gestemd en geheel confettiloos togen wij tegen zevenen kroegwaarts.

Bij het binnentreden van het plaatselijk lokaal waren wij dan ook gerustgesteld over wat wij daar zouden aantreffen. Wat toepende mannetjes, Perzische tapijtjes op de tafels en vrolijk biljartende kerels. Dat van die toepende mannetjes klopte. Ja, ook die Perzische tapijtjes. Maar voor de rest werd de plaatselijke kroeg overbevolkt door een duidelijk in een naroes verkerende menigte.

Goed, ieder zijn meug, ik doe niet moeilijk over mannen in een jurk of vrouwen met grote plastic tieten voorgeplakt. Dat was het probleem ook niet. Toen wij, geheel normaal gekleed, binnentraden verstomden alle gesprekken en keerde de menigte zich als één man om en keek ons aan.

Aan een bibberig Alaaf heb je dan ook niets dus wij liepen schijnbaar onverstoord door naar het duisterste hoekje achter in het café. Het was overduidelijk, we waren een huiskamerfeestje binnengedrongen.

Na vijf minuten kwam de op leeftijd zijnde barvrouw onwillend op ons afstruikelen met om haar nek een paarse boa, haar ultieme uiting van de Carnavalsvreugd. Met een slepende tred werden er vervolgens zes biertjes voor ons neer gezet. Op gesprekspogingen reageerde ze niet, het was ons duidelijk, we waren hier niet welkom. Maar we lieten ons niet kennen.

Toen de nagistende meute van het toneel verdwenen was en alleen de toepende mannetjes er nog waren vroegen wij vrolijk om de biljartballen en het krijt. Waarop de paarse boa, driftig zwaaiend met stoffer en blik, geïrriteerd antwoordde: “Nee, da ken nie, de stroom leg eraf”. Met die zuidelijke logica besloten wij thuis verder te borrelen.