Archief | maart, 2013

we have the technology

26 mrt

Ik ben slechthorend, familiekwaal, hoe ouder we worden hoe vaker we “Wat? ” schreeuwen. Zo ook bij mij. Tegen de tijd dat bij ieder Nederlandstalig tv-programma de Teletext-ondertiteling moest worden aangerukt en ik ’s nachts niet meer wakker werd van  “Mama” huilende kinderen, vond ik en nog meer mijn omgeving, de tijd rijp voor een hoorapparaat. Denk niet, zo’n ding haal ik even, neen, je hebt heuse toestemming van een KNO-arts nodig.

Dus zoveel jaar geleden kreeg ik mijn hoorapparaatje. Apart moment. Ik had al contactlenzen,beugels in mijn bh, leesbril op het hoofd, de Tena-lady klopte voortdurend aan de voordeur en ik vroeg mij af waar dit zou eindigen. Hoeveel hulpstukken kan een mens hebben? Werden wij op de duur niet verbouwd tot de Six Million Dollar Man en de Bionac Woman uit de jaren zeventig? “We can rebuild them. We have the technology”. Toch liet ik een minuscuul klein zendertje met microfoontje achter mijn oor plaatsen. Knal fuchsiaroze, dat dan weer wel.

Mooi opgelost, zult u denken. Nou gaat dat niet helemaal op, zelfs hoorapparaatjes zijn niet zaligmakend. Goed, in het alom aanwezige ruis ontdekte ik steeds meer herkenbare geluiden maar er blijven zwarte gaten zitten in dat gebied ergens tussen aambeeld en stijgbeugel.

Zoals vanmiddag, ik liep het ziekenhuis uit, verdomd, alweer met een implantaatachtige gerelateerde reden, toen een overduidelijke Nijmeegse volksvrouw, Waterkwartier of zo, op leeftijd mij naar de Boslaan vroeg. Ik liet deze informatie even zinken, midden tussen de torenhoge academische ziekenhuisgebouwen in. “Boslaan?” herhaalde ik, zwaar peinzend. “Nee, Bos!” zei het wijffie waarvan ik inmiddels zeker wist dat zij haar artificieële onderdeel, zijnde haar kunstgebit, had thuis gelaten vandaag.

“Bos”articuleerde ik duidelijk en keek om mij heen. Rechts stonden wat trieste sparren en verder op zag ik een rhododendronstruik maar bos? Plots begon de meegesleurde, zwaarlijvige kleindochter er zich mee te bemoeien. “Bus!” (Ja, zeg dat dan!) “Oh, u bedoelt de busbaan! Daar, aan het einde links”. Gniffelend draaide ik me om en liep naar de parkeergarage. Boslaan, busbaan!!! Hahaha. Halverwege hield dat gniffelen op. Misschien had dat beste mens heel duidelijk gesproken en zat ze de rest van de avond met een complex alleen omdat ik dacht dat ik superieure oortjes had.

my favourite shoes

24 mrt

 

Toen ik een jaar of veertien was had mijn ruggegraat besloten zich volgens een willekeurig patroon te ontwikkelen en niet via de geijkte anatomische kaarten. Teveel met een bochtje naar binnen en te veel met een slingertje naar rechts. ( voor de liefhebbers;  lordose en scoliose). “Boeieuhh” zeg je dan als pubermeisje, alleen zeiden mijn ouders en huisarts dat niet. Dus min of meer gedwongen gedwee meldde ik mij drie keer per week bij de fysiotherapeut die wel raad wist met mijn werveltjes. Dacht hij want al zijn standaardoefeningen waren wel van toepassing op ouwe stramme vrouwtjes maar niet op meisjes van veertien die turnden en leniger waren dan een sidderaal.

Maar na aanpassing van het programma konden de martelingen dan toch beginnen. En dat waren het, geloof me. Het hoofddoel van de behandelingen was de spieren in mijn bovenbenen aan de voorkant langer te maken. Dat kwam dus gewoon neer op strekken, scheuren, strekken en scheuren. Tenminste, zo voelde dat.

Na een aantal maanden mocht ik met hindeachtige lange bovenbeenspieren de boze wereld weer in. Met wat oefeningen voor thuis die ik elke dag zou moeten doen. Uiteraard verdwenen die meteen de prullenbak in, ik was wel klaar met al dat gedoe. Neen dus… Er volgde die week een brief van de spierenman waarin hij mij opdroeg speciale hakken onder mijn meest gedragen schoenen te laten zetten. The horror. Zou je als pubermeisje nog voor geen miljoen het meest elegante muiltje van Helioform aantrekken, een horrelvoetklompschoen was natuurlijk totaal onbespreekbaar.

Maar nee, mijn ouders waren niet te vermurwen en gaven mij opdracht de favoriete schoenen bij de schoenmaker af te leveren. Ha!! Ik was natuurlijk niet gek! Het was de tijd van de Penny Shoes en mijn lievelingspaar waren de bordeauxrode. Minder vond ik de donkerblauwe met kwastjes dus hop, daar moesten die reputatie vretende blokken beton dan maar onder. En het resultaat was in mijn ogen heel erg erg. Een scheef geval, schuin aflopend van links naar rechts zodat mijn arme, toch al zo onzekere, lijfje vanzelf de juiste lichaamshouding zou aannemen.

Huilend trok ik de oefeningen uit de prullenbak en verzekerde mijn ouders dat ik die tien keer per dag zou doen maar dat hielp niet. Dreigen met weglopen ook niet dus berustte ik in mijn lot. Ha!! Ik was natuurlijk niet gek! Netjes met mijn blauwe monstermuilen op de fiets springen en zodra ik de hoek om was snel mijn meegesmokkelde bordeauxrode paar uit de tas vissen en omwisselen. Na een week al vergaten mijn ouders de ochtendlijke controles en werd het nog makkelijker. Een maand later liet ik stiekem de debielenhakken onder de schoenen verwijderen. Nooit meer last van gehad. Van mijn rug wel.

broertjelief….

20 mrt

 

Nu kunnen kinderen het bloed onder je nagels vandaan halen. De mijne uiteraard niet maar dat is een kwestie van opvoeden. Mijn broertje ( hij is inmiddels al 46 maar blijft mijn broertje ) en ik konden vroeger erg leuk met elkaar spelen. Hele smurfendorpen bouwen in de tuin maar dan ook tien minuten later vechtend over de grond rollen. Soit.

Kleine conflicten konden worden beslecht door het uitwisselen van Het Stenen Hertje, een al eerder beschreven kitscherig beeldje van een soort Bambi. Bij wat ergere aanvaringen, zoals het platdrukken van een banaan in broer’s gezicht en het daarop volgende kapot meppen van mijn bril voldeed het Hertje echter niet meer en bleven wij, door het ontbreken van passende offerpijpen, een paar dagen in staat van oorlog.

Als wij des zomers zuidwaarts reden met onze ouders was de situatie ietwat anders. Bijvoorbeeld een beperkter territorium. Wij hadden geen aanhanger dus werd al het kampeergerei tussen de voor- en achterstoelen gepropt. Daarboven op kwamen onze slaapzakken, normaal zitten konden we niet maar we hadden nog korte beentjes en lagen lekker languit op het supergrote speelbed. Mind you, toen had je nog geen verplichte autogordels, bij een eventuele botsing waren wij als hapklare kanonskogels door de voorruit geschoten.

Natuurlijk probeerden mijn broertje en ik de duidelijk afgebakende grens van het speelveld te overtreden. Zo gingen wij met onze ruggen tegen elkaar en de voeten tegen de deur een soort alternatief armpje worstelen doen. Maar dat was slechts tot ongeveer Breda, daarna was de lol er wel vanaf.

Ter hoogte van Parijs kregen we echt ruzie omdat dan broerlief standaard over mijn slaapzak heen kotste, nooit over de zijne. Die ruzie escaleerde en escaleerde zodat een kilometertje of honderd onder Parijs mijn vader explodeerde en naar achter begon te meppen met één hand. Al rijdende, dat begrijpt u. En kijk, daar komt Het Stenen Hertje weer te voorschijn. Want van te voren spraken broertje en ik af wie er achter de stoel van de bestuurder mocht zitten. In ruil voor dat kloterige Hertje was je dan verzekerd van een plek waar die maaiende arm net niet bij kon!

moderne kunst, zucht.

19 mrt

 

Nu ga ik uit mij zelve niet gauw naar een museum of tentoonstelling der moderne kunsten. Oude meesters kunnen mij wel bekoren maar Escher is voor mij de grens. Ja, ik weet het, ben een barbaar en verdien niet beter. Maar door het vak Cultuur Kunst Wetenschappen dat alle drie de jongens moesten volgen op de middelbare school werd ik met mijn neus keihard op de feiten en in de cultuurboter gedrukt.

Wat ik allemaal niet voorbij heb zien komen. Cabaretvoorstellingen mochten ze alleen doen maar bij de moderne kunsten wilde ik er als rechtgeaarde moederkloek toch bij zijn om eventuele spontaan erupterende trauma’s voor te zijn. Zo zag ik zoon1, toen vijftien, bleekjes en vertwijfeld wegkijken van een berg zand waaruit zo’n vijftig poppenbeentjes staken. En ik, zijn baken in de verwarrende puberwereld, kon hem niet uitleggen wat de diepere gedachte hierachter was.

Ook heb ik zoon2 eens gierend van het lachen maar doordrenkt met angstige visioenen uit een zaal vol moderne kunst van een doorgeslagen Rus moeten slepen. Heeft weken geduurd voor hij weer van het bedplassen af was.

Goed, met al deze ervaringen ging ik vorige week naar een internationaal korte film festival met mijn vriendinnen. Ietwat terughoudend maar toch voldoende voorbereid om twintig minuten lang naar drie kamelen lopend door de woestijn te kijken en daar de betekenis van te vinden, ging ik zitten.

Het eerste filmpje viel mee, ik snapte het!! Drie aanstaande vaders, gelukkig dus geen kamelen, werden gefilmd voorafgaand aan de bevalling van hun kind. Ook tijdens, hun hoofden in close-up tijdens het persen en de weeën van hun vrouwen. Ik ben dan wel geen man maar hierbij kon ik me inleven en begreep de bedoeling van de maker.

Er waren godzijdank ook wat animatiefilmpjes, dat is altijd goed. Simpel, alles teruggebracht tot een paar lijnen, wat humor erdoor en klaar. Een kind kan de was doen. Na de pauze kwamen echter de buitenlandse inzendingen. Denk je dat wij als Nederlander af en toe van het padje geraken, nou vergeet het maar.

Zwaar zoekend en zwoegend keken wij naar een overdadig blonde Baskische buikdanseres die niets anders deed dan haar tieten te showen en Turkse huisvrouwen die schoenen ruilden met hun gevangen zittende mannen. Ja natuurlijk zat er wat in die geruilde schoen maar zeg dan wat!!!!

Zo verlieten wij toch nog ietwat verward het theater, onze breinen tolden van onbeantwoorde vragen en onwetenheid. Gelukkig was daar de kroeg…

geheel vrijwillig

8 mrt

Het is een bijzonder slag mensen, de vrijwilligers in het ziekenhuis. En ja, het clichébeeld van de wat oudere vrouw die nog wel wat wil doen nu de kinderen uit huis zijn, is hier helemaal van toepassing. Je vindt haar ook in de Derde Wereld winkel en het bejaardentehuis.

Begrijp me niet verkeerd, niets anders dan respect voor mensen die deze baantjes geheel belangeloos en onbetaald bemannen cq bevrouwen. Maar af en toe heb je er toch ééntje tussen zitten die, meestal haar, de taak iets te gretig en grondig wil uitoefenen. Zo moest ik vanochtend voor een snel akkefietje op de poli Heelkunde zijn. Telefonisch gemaakte afspraak, de dag er voor en dus geen Belangrijke Brief met scancode erop.

Want dat is ook zo iets. Tegenwoordig moet je voor het binnentreden der wachtruimtes een scancode voor de lezer van een indrukwekkend uitziende zuil houden. De eerste keer hield ik mijn Brief vijf minuten lang tegen het beeldscherm aan en er gebeurde niets. Geen bevrijdend piepje, totale radiostilte. Uiteraard was er op dat moment geen vrijwilliger aanwezig.

Ernstig beschaamd kwam ik er achter dat met ‘de lezer’ niet het beeldscherm werd bedoeld maar een infrarood opgloeiend vierkantje, zo’n twintig centimeter er onder. Schichtig om mij heen loerend hield ik snel mijn Belangrijke Brief voor het venstertje en er gleed een zaligmakend bonnetje uit de zuil.

Vanochtend echter had ik geen Brief bij me maar ik wist dat ik me gewoon ouderwets moest melden bij de receptie van Heelkunde op het Poliplein.  Voortvarend stapte ik de hal in, richting balie. Maar daar was plots de vrijwilligster met haar fier gedragen vrijwilligers vestje. Als een roofdier sprong ze op mij, haar gewillige prooi. “Mevrouw, u moet uw code laten scannen” sprak zij op een toon van iemand die het allemaal al een keer heeft meegemaakt.

“Sorry, ik heb geen scancode. Ik heb gister telefonisch een afspraak gemaakt en moet mij dáár melden “ wijzend met mijn hoofd in de richting van de receptie. Al pratende bekroop mij het gevoel dat ik daar niet mee weg zou komen bij deze vrouw. En zo bleek. “Oh, u heeft geen scancode? Maar dan kunt u helemaal geen afspraak hebben. Zo werkt dat niet”

Vanuit het diepst van mijn tenen vertelde ik dat ik wel een afspraak had maar geen scancode. Haar vrijwillige brein verwerkte deze gegevens en kwam daar niet uit. “Maar dan zijn uw gegevens niet bekend bij ons” (vooral dat ‘ons ‘, daar zijn vrijwilligers en overigens ook verkeersregelaars erg goed in.). “Ja wel, hoor” verzekerde ik haar “Ze verwachten me”.

Om haar functioneren toch nog een positieve draai te geven zei het vrijwillige vestje: “In dat geval moet u zich bij die balie daar melden”. Ach, vanavond zal ze zich heus wel met een goed gevoel omdraaien in haar bedje, voldaan door zoveel goed werk te hebben verricht.