Archief | september, 2013

marlies

10 sep

Omdat mijn lymfeklierstelsel gedeeltelijk ontmanteld was kwam en kom ik regelmatig, meer dan me lief is, bij de fysiotherapeute. Zij heeft een aanvullende opleiding gedaan om mensen met zeik-,  lees vochtafdrijvende problemen te helpen.

Ook daar moest ik voor de zoveelste keer mijn bovenlichaam  ontbloten en verlangde  stiekem naar de dag dat ik dat alleen nog maar voor De Man hoefde te doen. Echt, op een gegeven moment ben je het zo zat dat iedereen, lees medici, maar te pas en te onpas aan je lichaam zit te klooien zodat je denkt:  ‘Blijf nou eens van mijn lijf af! ’  hoe goed de intentie ook is.

Goed, na mijn spieren wat uitgerekt  en hier en daar wat drukmassages verwerkt te hebben kwam de peute met een doos vol gekleurd pleisterwerk op brede rollen. Blauw, geel, zwart, rood en huidskleur. Ik mocht kiezen!  Blauw, dus! Nou had ze wel gezegd dat ze me ging intapen maar naïef als ik was dacht ik daarbij aan een Sesamstraatpleister, hier en daar.

Vakkundig  begon ze een metertje blauwe tape in te knippen tot smalle repen zo’n vijf centimeter voor het eind. Het resultaat was een gewaaierde strook pleisterwerk. “Doe je arm maar eens omhoog”  en voordat ik het wist was er een Spidermanachtig web van blauwe tape op mijn lichaam aangebracht. Beginnend vanaf mijn schouder en doorlopend naar mijn borstkas. Kunst, pure kunst, vond ik het.

Dat vond ik een paar uur later niet meer toen ik mij in mijn uitgaansjurkje hees. Door de laag uitgesneden hals waren de kriskras over mijn borst lopende pleisterlijnen meer dan overduidelijk te zien. Wanhopig drapeerde ik nog een sjaaltje om mijn hals om zo het shockeffect te vermijden. Toen echter tijdens het swingen het sjaaltje weggleed stokte de adem van De Man in zijn keel.  “Je hebt een Marlies Dekker BH aan” kon hij nog net wellustig uithijgen. En zo kwam alles toch nog goed.

danse macabre…

1 sep

 

Sinds een maand of vier heb ik een kale kop. Nee, geen oranje gewaad aan dus niet plots bekeerd tot een of ander Tibetaans  geloof. Puur de pech van een chemokuur die al afgelopen is maar de bijwerkingen helaas nog niet. Daar had ik stukkies over kunnen schrijven, hele grappige zelfs, maar de puf daarvoor ontbrak.

Inmiddels heb ik weer een soort van conditie en kan ik leuke dingen gaan doen zoals met  een club vrienden en vriendinnen op vrijdagavond te gaan dansen bij Joep aan de Waal. Bij Joep, hoor ik u denken, bedoelt ze niet Youp? Nee,  Joep is de missing link tussen de relaxte Flower Power people uit San Francisco en het uitgaanspubliek op een vrijdagavond in dit geval van Nijmegen. Swingend met een bloem tussen zijn tanden draait hij muziek vanuit zijn oude brandweerauto met echte platen en een heuse pick-up!

Voor de brandweerwagen liggen Perzische tapijten, er hangen perkamenten lampen en allerlei truttig huisraad is verzameld in de bus voor het ultieme gedateerde huiskamergevoel. Goed, swingen deden we op die mooie vrijdagavond! Toen ik even een pauze nam tussen twee nummers door kwam er een jonge vrouw naar me toe.  “ Ik móet je even zeggen hoe knap ik dit vind van jou! Dat je dit doet is zo moedig !”

Vertwijfeld keek ik om mij heen. Had ik zonder het te weten een Bengaalse tijger onder het tapijt gewalst? Op tijd een smeulende joint gedoofd? Werd mijn dansen als een knap huzarenstukje beschouwd, qua techniek? Ik keek haar vragend aan want ik had werkelijk geen benul waarover ze het had. Een kale kop went snel, moet u weten.

“ Hoeveel kuren moet je nog”  vroeg ze op een iets te meelevende toon en toen viel bij mij het radioactieve kwartje. Eigenlijk wou ik op dat moment alleen maar zeggen “Waar bemoei  je  je mee?” maar al snel bleek  waarom ze dergelijke interesses toonde in mijn wel- en weezijn. “Ik heb het ook gehad” en vervolgens kon ik haar hele ziektegeschiedenis aanhoren. Gelukkig draaide Joep toen James Brown en kon ik, meelijwekkend als ik blijkbaar was, de dansvloer weer op.

Tegen twaalf uur was het afgelopen en mochten we allemaal ons muiltje opzoeken en richting de uitgang van het feestterrein lopen. Na twee minuten werd ik staande gehouden door alweer een jonge vrouw. Ja, ja, ik voelde me nu gewaarschuwd met blijkbaar een helgeel oplichtend petje. “Wat dansten jullie leuk samen. Zo fijn om te zien! Moet wel heel fijn zijn voor jou” (ik verzin dit niet!). Met de door die vrouwen gezinspeelde vroegtijdige dood, kon ik dan ook niet  anders antwoorden dan “Ja, nu kan het nog, straks niet meer”. Dat mijn ‘straks ‘ nog minstens veertig jaar duurt hoeven zij niet te weten.