Archief | februari, 2014

gevonden: een paar schoenen

25 feb

 

 

Langs de kant van de weg en half er op lagen twee herenschoenen. Van die makkelijke instappers, ze zagen er hetzelfde uit en hoorden bij elkaar. Ik vind dat altijd een beetje een luguber beeld, onheilspellend en zo. Hoe kwamen die schoenen daar? Waarom zou je midden op de straat je schoenen uitdoen en achterlaten? Omdat je nieuwe hebt gekocht? Lijkt me niet.

Ik denk dan eerder aan een flitsende maffioso ontvoering of een vreselijk ongeluk. Door een vluchtauto van je sokken gereden worden. Niet dat er ook sokken bij lagen maar goed dat had gekund, met bloed en andere enge dingen. Hier op het platteland heb ik nog nooit schoenen op de weg gevonden, dat is toch meer iets voor de grote stad.

Ook één schoen ergens zien liggen laat mijn fantasie op hol slaan. Zou de eigenaar, na kroegbezoek,  het niet door hebben gehad dat hij plots wat ongelijk liep? Of was de schoen ’s nachts uit het raam gegooid teneinde een krolse kater te verjagen? De mogelijkheid van een éénbenige piraat laat ik hier buiten beschouwing.

Zo kom ik ook regelmatig De Handschoen tegen, is iets minder verontrustend. Die kan immers gewoon achteloos uit een jaszak zijn gevallen. Aardige voorbijgangers spiesen De Handschoen vaak op een puntig hekje zodat hij makkelijk terug te vinden is voor de fietser met één koude hand. Dit zie je ook vaak bij wieldoppen van auto’s. Die dingen blijken er nog wel eens af te vallen en mocht je de route terug rijden dan zie je je wieldop netjes recht overeind tegen een muurtje staan, duidelijk in het zicht.

Er wordt nogal wat verloren zo onderweg. Mobiele telefoons die op het dak van de auto lagen, OV-chipkaarten en niet te vergeten de lievelingsknuffel van het kind. Gelukkig wordt er ook veel gevonden al is het soms dus niet duidelijk of het wel terug gevonden moest worden.

Zo hangt er in een naburig dorp alhier sinds een maand of vier een bistrostoeltje in een drie meter hoge boom. Wekelijks loop ik daar onderdoor en slaan mijn gedachten weer op hol. Je maakt mij niet wijs dat iemand met zijn volle verstand een bistrostoeltje omhoog een boom inkeilt. Nu staat er in de directe omgeving wat hoogbouw. Logischerwijs kan daar, tijdens een straffe herfststorm, een bistrostoeltje van het balkon af zijn gewaaid. Dat kan. Maar dat is saai. Ik geef liever de voorkeur aan een uit de hand gelopen stoelendans of een te verhit afgelopen inboedelscheiding.

de buurman met zijn heggenschaar

24 feb

 

Een jaar of vijftien geleden woonden wij in een dorp op het laatste gaatje van de Bible Belt. Het huis dat wij daar kochten werd voorheen bewoond door een echtpaar met elf kinderen. Tegen de tijd dat moeders beviel van kind twaalf, baarde oudste dochter het eerste kleinkind. Om u een idee te geven.

Dat kenmerkt lichtelijk de sfeer die hing in dat dorpje in de Betuwe. Uiteraard wasten wij onze auto’s niet op zondag en lieten de buren, die geen tv mochten kijken, rustig aanschuiven achter het grootbeeld. Geen heidense feesten, wij kabbelden rustig voort met de dorpsgeest, eventuele uitspattingen begingen wij in het naburige Tiel.

Wij woonden midden in het dorpje in een oud keuterboerderijtje. Dientengevolge hadden we een lap grond achter het huis waar je u tegen zei. Deze lap was aan beide zijden afgeschermd door een meters hoge haag en wij genoten van de privacy. Links woonde de hoofdmeester van de lagere school en rechts stonden drie nieuwbouwwoningen. Goed, nieuwbouw uit de jaren zestig maar toch.

Op een zonnige zomerdag zat ik, hoogzwanger, in het achterste gedeelte van de tuin. Daar was de moestuin en de zandbak plus schommels voor zoon1 en 2. Plots klonk rechts van mij een hels gezaag! En in de heg van zo’n dikke twee meter ontstond een gat. Nou woonde aan die kant een brave buurvrouw die echter een ontspoorde zwager tijdelijk in een caravan in haar tuin had geparkeerd. En die stond daar, op een keukentrapje, míjn haag te kortwieken!

Dat vond ik niet fijn. Edoch, rustig hees ik mijn hoogzwangere nijlpaardlichaam uit de tuinstoel en liep naar de plaats des onheils. “Goeiedag, buurman. Wat ben je aan het doen? “ vroeg ik beminnelijk. “Die heg is te hoog! Ik krijg geen licht in de caravan!” sprak een stem door het lover. Het was mijn heg. Het was mijn grond. Dus langzaam kroop er een giftige slang in mij omhoog.

Nou ben ik meestal verbaal niet zo aanvallend dus in dit geval zei ik “Maar vriendje, dit is mijn heg waar je nu in zit te snoeien”.  Dat had ik niet moeten zeggen. Als een satanische derwisj sprong de man op zijn keukentrapje op en neer en begon met de heggenschaar naar mij uit te halen. “Vriendje?!! Ik ben godverdomme je vriendje niet!!” En de schaar ging agressief de heg in.

Ik droop af, schuifelde met mijn twee kinderen plus ongeborene mijn huis in. Daar belde ik de politie. Ik werd tenslotte bedreigd met een heggenschaar. Ze kwamen niet. Toen wederhelft ’s avonds thuis kwam spande hij een geniepig ijzeren draadje in de heg zodat bij een volgende snoeibeurt de heggenschaar in ieder geval zou sneuvelen.

Zes maanden later gingen we toch maar verhuizen.

Effe lekker weg!!

17 feb

Zoon3 heeft het al een aantal weken over zijn geplande zomervakantie in België met vrienden en vriendinnen. Daar is uiteraard geld voor nodig vandaar dat hij alle supermarkten binnen een cirkel van vijftien kilometer heeft aangeschreven voor werk. Ondertussen heeft hij vijfenveertig Euro nodig voor de aanbetaling maar die kan ik hem nog net voorschieten.

Vanavond kwam hij met laptop en al naar beneden om de foto’s van het te huren huisje te laten zien. Ik stond versteld. Slaapkamers met luxe bedden, keukens groter dan de mijne en woonkamers helemaal ingericht volgens de laatste trends. Overal linnen en houten letters op dingen zodat zelfs een Alzheimer patiënt zou weten waar hij de tijdschriften, het bestek, de sleutels én de theezakjes moest opbergen.

In een ver verleden huurden wederhelft en ik, samen met een bevriend echtpaar plus baby van negen maanden voor een weekendje een huisje in België. Via een obscuur klein advertentietje in de Telegraaf. (Van de buren. De Telegraaf, niet het huisje) Afgaand op de omschrijvingen, landelijk gelegen, natuur en zo, dachten wij een prettig onderkomen gevonden te hebben.

Niets was minder waar. Wij troffen een krottige semi-bungalow aan op wat wel  de gemeentelijke vuilstort leek. Onder het klemmende keukenraampje bevond zich de verzamelplaats voor alle vuilniszakken van alle vakantiegangers aldaar. Nou waren wij wel wat gewend door jarenlang kamperen dus, hop, huisje in en een lekkere fles wijn drinken.

Het interieur van het veredelde krot liet meer dan te wensen over. Twee overmatig gebruikte tweepersoonsbedden en een vloer die zo goor was dat wij uiteindelijk dekens over de grond drapeerden zodat baby van negen maanden rustig kon rondkruipen zonder iedere vijf minuten een tetanusinjectie te behoeven.

Het plaatsje heette Baraque de Fraiture, desalniettemin hebben wij toen geen frietkot gezien. Het enige vertier dat wij konden vinden was een compleet verlaten, spookachtig pretpark. Daar kropen wij onder de hekken door en speelden rodeo cowboy op een schimmelige, in de steek gelaten nepstier.De baby van negen maanden propten we in het meest stabiel uitziende stoeltje van de draaimolen en slingerden hem handmatig rond.

“Ik hoop wel dat er een zwembad in de buurt is” droomde zoon3 verder..

“Alles naar wens, mevrouw?”

16 feb

 

Bestel je in een restaurant nietsvermoedend de “beenham met zuurkool’. Ober Luc probeert je nog te waarschuwen door te zeggen dat er een heus bot in zit en veel vet. Maar door al het geroezemoes versta je hem niet en denk je dat hij “dat is vet”, als in cool, zegt.

Na de obligate stokbroodjes met kruidenboter en knoflookdip arriveert dan eindelijk het hoofdgerecht. Tafelgenoten krijgen bordjes met  keurige kalfslapjes en bescheiden varkenshaasjes met honingsaus en tijm. Ik kijk reikhalzend uit naar het mijne maar zie alleen een serveerster met een steekwagentje lopen. Ongeduldig trommel ik met mijn vingers op het tafelblad. Tot de serveerster met het steekwagentje naast mij stopt.

Met behulp van ober Luc tilt zij een schaal van Olympische grootte omhoog met daarop mijn beenham. Steunend van de inspanning wordt het hoofdgerecht voor mijn neus gedeponeerd. Om mij heen hoor ik besmuikt gegiechel, de tafelgenoten trekken groen weg van jaloezie en ober Luc zegt: “Ik heb je gewaarschuwd”. Voor mij ligt gewoon een half varken met twee frivool uitstekende botten eraan.

Maar ik laat mij niet kennen! Maak met mijn bestek een messenslijpgebaar en val triomfantelijk aan. Na vijf minuten voel ik mij Asterix, zonder toverdrank en mét zo’n gigantische everzwijnenbout. Na vijftien minuten kan ik niet meer en smeek mijn tafelgenoten of er met borden geruild kan worden. Zij hebben inmiddels  de kalfslapjes en varkenshaasjes verorberd en ik zit nog met een empirische varkensbil.

Ook de tafelgenoten lukt het niet om de bil tot het bot af te kluiven en naarstig schuiven zij mijn bord weer op mijn plek. Want, o wee, als ober Luc er achter komt dat je niet alles hebt opgegeten! Dan moet je voor straf afwassen in de keuken!

Ik besluit creatiever met de bil om te gaan en laat voorzichtig een groot stuk in mijn handtasje glijden. In de bak met plastic planten is ook nog wel wat ruimte en mijn laarzen met wijde schacht kunnen ook nog wel wat hompen vlees verstouwen. Na een omweggetje naar de toiletten waar ik een half kilo ,netjes verpakt in zo’n maandverbandzakje, in de prullenbak kieper, is het bot redelijk kaal geknaagd en wacht ik met spanning de komst van ober Luc af..

Goedkeurend knikt hij en pakt de giga dekschaal van mijn place-met. Wel is hij teleurgesteld als niemand  het gebruikelijke kaasplankje met port besteld. Wij rollen het restaurant uit, knopen springen spontaan van broeken en jurkjes staan angstaanjagend strak. Voorlopig hoeven wij  niks meer.

een tandje hoger

11 feb

Op de vroege maandagochtend zat ik startklaar naast de telefoon om om half negen mijn tandarts te bellen. Ik had door veel alcohol het weekend kunnen overleven maar dat mocht want ik was jarig. Maar nu, maandag, wilde ik diezelfde dag nog van mijn kiespijn af. Vreemd genoeg was op dat moment mijn pijn bijna helemaal verdwenen zodat ik stiekem overwoog geen afspraak te maken. Dit is overigens een bekend fenomeen. Klachten verdwijnen spontaan bij het naderen van een ziekenhuis of praktijk, net zoals de afspraak met de kapper. Op de dag dat je gaat zit je haar ineens hartstikke goed..

Gelukkig kon ik diezelfde dag nog langskomen, om half vijf ’s middags en ik installeerde me dan ook met een doosje paracetamol op de bank met een dekentje, want zielig. Ik ken mijn tandarts en ik wist dat hij een zenuwbehandeling zou voorstellen. Nou, van mijn zenuwen blijf je af dus ik was druk bezig met het opstellen van mijn betoog waarom. Ik ging voor de extractie, niemand gaat in mijn zenuwen boren en schrapen. Bovendien was het toch een rot kies dus, hup, weg ermee. Weinig wetenschappelijk onderbouwd stapte ik tegen vier uur in de auto.

Met mijn rozenkrans in mijn handen betrad ik prevelend de wachtkamer. Daar was het onaangenaam druk. Moeders met kleine kinderen en een stuk of drie pubers. Dat verwacht je niet, pubers hebben de neiging weg te rennen van nare dingen maar ze zaten er wel. Door hun zenuwen, ja, ook zij, kuchten ze echter om de driekwart seconde met elkaar een mooi angststaccato. Ik liet de rozenkrans op snel tempo door mijn handen ritselen.

Na een half uur was ik aan de beurt. Het kostte me nog eens een half uur om mijn tandarts ervan te overtuigen dat ik echt, heel bewust, voor een extractie koos. Hij mocht onder geen beding  aan mijn zenuwen komen en daarmee uit. Pas toen ik beloofde het niet aan mijn vader te vertellen, dat was zijn oude professor, ging hij akkoord. Als broeders in het kwaad verzonnen wij het verhaal dat ik de kies zelf had getrokken. In het schuurtje, met een oude nijptang.

Nadat hij voldoende anesthetica om een nijlpaard omver te krijgen had ingespoten, kwam mijn tandarts met zijn grote bak rammelende tangen en nog enger gereedschap aanzetten. Mijn rozenkrans brak doormidden. Voor de zekerheid deed ik mijn ogen dicht zodat ik de eventuele betonschaar niet over mijn netvlies zou zien glijden.

Maar in een oogwenk was de vermaledijde kies eruit. Goed, de kroon die erop zat versplinterde nog eerst als hagel in mijn keel zodat ik nog dagen erna verdwaalde visgraatgevoelentjes had maar dat was peanuts vergeleken bij de pijn in de week er voor.

Maar de kies was weg en zo ook de pijn. Ik had nu wel een krater, formaat Grand Canyon, in mijn mond. Wat ik daar mee moet ga ik nog opzoeken in mijn cursus Tandartsassistente. En hopen dat mijn vader me niet onterft want anders heb ik niet eens geld om er wat aan te laten doen.

auw!!!

9 feb

Ja, toen was het zo ver. Ondanks een vader die professor tandheelkunde was en ondanks een door mij gevolgde cursus tandartsassistente.  Ik had kiespijn.  Eerst alleen bij het eten van knapperige dingen. Goed, dan pas je tegen beter weten je voedsel patroon wat aan en in plaats van een knisperende appel eet je een snottige banaan.

Na een weekje of wat veranderde die pijn in een algeheel doordreunende en vies zeurende, kloppende pijn in je kaak. Ongewenst werden oren en nekspieren meegetrokken in dit proces.

Ergo sum, wortelkanaalbehandeling. Het enige woord waarmee je mij en de rest van de bevolking van Nederland stil kunt krijgen. Oké, wortel klinkt nog niet zo heel angstaanjagend. Wortelkanaal daarentegen geeft toch wel wat meer ravijn en kolkende diepten als beeld. Goed, ik geef toe dat ik tijdens die cursus Tandartsassistente bij het hoofdstuk Endodontische behandelingen bibberig wit wegtrok en dacht dat ik beter schoonheidsspecialiste kon worden.

Ondertussen negeerde ik al twee weken dit pijnlijke gevoel aan mijn kies ( element 4.5, de tweede premolaar )  tijdens het eten. Dat pijnlijke  gevoel bereidde zich uiteraard verder uit en dat, lieve kijkbuiskinderen, noemen we kiespijn.

Als je een beetje slim bent, ben je dit voor en ga je bij de minste of geringste pijnscheut naar je tandarts. Ik niet. Ik ben nog van de generatie die denkt: “Als ik het negeer dan gaat het vanzelf over..” Nou, vergeet dat maar! Het gaat niet vanzelf over, het wordt alleen maar erger!!!

Morgenochtend, half negen sharp, ga ik bellen. Naar mijn tandarts met een snik in mijn stem zodat hij mij hopelijk diezelfde dag nog kan helpen. En anders pak ik zelf de nijptang uit de gereedschapskist. Dan maar wat minder breed uitlachen voortaan.

zomaar een ochtend in de supermarkt

5 feb

 

Het was een vreemde ochtend in de Albert Hein vandaag. Allereerst scheurde er een schattig klein mongooltje op een plastic tractortje door de paden. Handig om de eieren heen laverend en met piepende banden door de bocht. Nu heb ik zelf ook jongetjes op tractortjes gehad dus ik keek nergens meer van op. Ik wachtte alleen op de onvermijdelijke aanvaring met een winkelend mens.

Tijdens het uitladen van mijn karretje begon een jonge vader met dito kind ook zijn boodschappen al op de band te plaatsen. Ik wees hem er voorzichtig op dat ik nog niet klaar was en de ruimte nodig had. Hevig zuchtend pakte hij zijn melk en eieren van de band en liep chagrijnig mompelend naar de volgende kassa.

De mevrouw voor mij was een zakje sla vergeten uit haar wagentje te halen en ik attendeerde haar daarop. “Ik vergeet ook van alles vandaag” riep ze dankbaar. Dat bleek want toen haar boodschappen gescand en in tassen waren gedaan, liep ze doodgemoedelijk naar de uitgang,  het belangrijkste vergetend. Zelfs toen de caissière drie keer “Mevrouw” riep reageerde ze niet en was al bijna de winkel uitgelopen zonder te betalen. Gelukkig konden we er allemaal om lachen.

Toen ik mijn boodschappen in de auto aan het laden was, propte de chagrijnige meneer zijn inmiddels dito kind in het autozitje en stapte in. Hij vergat ook iets. De plastic tas met melk, eieren en brood. Die stond netjes naast zijn rechtervoorwiel. Dus toen de man achteruit de parkeerplaats wilde verlaten reed hij over de net gekochte boodschappen heen. Gezeten achter zijn stuur voelde hij een zekere weerstand, stapte uit en liep om de auto heen. Daar vond hij het geplette tasje. Ik verzekerde me ervan dat hij me zag kijken en reed toen vrolijk gniffelend naar huis. Daar kwam ik er achter dat ik mijn bonuskaart had laten liggen bij de kassa.