Archief | mei, 2014

vraag niet hoe het kan maar profiteer ervan

20 mei

 

Vanmiddag mocht ik met zoon3 mee naar de Primark. Het was 27 graden en al in de auto had ik een sterk “Ik wil niet-gevoel”. Maar goed, desbetreffende zoon ontbeerde korte broeken en wat nieuwe t-shirts kon hij ook wel gebruiken. Ik was allang blij dat hij niet naar de Society Shop wilde.

Nu weet ik niet of u het fenomeen Primark kent. Hier in Gelderland hebben wij sinds kort een filiaal in Nijmegen. Een dikke maand geleden geopend en razend populair. Er worden bustochten georganiseerd en hele kolonnes vrouwen en meisjes vechten zich vanaf Centraal Station door de binnenstad heen.

De dag van de opening reden er zelfs gratis riksja’s vanaf de trein naar Plein 44, mensen stonden uren voor openingstijd achter dranghekken en er hing een hebberige sfeer. Aan het eind van die dag reed ik toevallig door het centrum. En ik wist niet wat ik zag. Als u ooit natuurfilms van David Attenborough heeft gezien dan weet u wat ik bedoel met ‘een processie van snijmieren’. Achter elkaar liepen hordes mensen met dat krakende lichtbruine papieren tasje. Had je er geen in je hand dan viel je gewoon op!! Het was een opmerkelijk natuurverschijnsel.

Dus toen zoon3 mij ( en mijn portemonnee uiteraard) uitnodigde om een bezoekje te brengen aan dit walhalla van kleding was ik op alles voorbereid.

Bij binnenkomst werden we geacht een soort opvouwbaar groenten en fruitnetje mee te nemen om al onze hebberige aankopen in te doen. Voorlopig flubberde dat ding nog leeg langs mijn been want om de Herenafdeling te bereiken hadden we toch zeker een kwartiertje nodig. Dwars door massa’s zwetende vrouwenlichamen heen bevochten wij ons een weg naar de roltrap benedenwaarts.

Om de vier meter stond een vervaarlijk uitziend Security tiepje dat onze verhitte blikken aan zag voor boevenzweet en naarstig zocht naar opvallende bulten onder onze kledij. Nou, geloof me, je hoeft niks te pikken in de Primark. T-shirts voor twee Euro, een spijkerbroek voor vijf. Waarop ik dus meteen dacht “Hoe kunnen ze het ervoor maken?” en visioenen kreeg van kindslaafjes met zigeunertranen achter een aftandse naaimachine in een ver hier vandaan land.

Dan kan de Primark wel leuk hun waar in vreselijk verantwoorde milieubewuste papieren tasjes meegeven maar daar trap ik dus mooi niet in! Zoon3 wel. Met drie t-shirts, één korte broek, één lange broek, één overhemd én een zonnebril voor totaal achtenveertig Euro wrong hij zich gelukzalig door de mensenmassa weer naar buiten.

oh, denneboom

18 mei

 

De spar in het naburige dorp is ter ziele. De genadeslag werd uitgedeeld door de komst van een grote Duitse super super , iets verder op. Daar kun je als klein Hollands buurtwinkeltje niet tegen op. Voorlopig ga ik als eerbetoon niet naar deze megasuper. Ik kocht dan wel niet alles bij de Spar maar vaak kwam ik tijdens het koken er achter dat ik een belangrijk ingrediënt mistte en kon ik dat binnen zes minuten halen terwijl de pannen stonden te pruttelen.

Kwam ik wel eens te laat dan gingen de rolluiken gewoon weer open voor mij speciaal. Had ik mijn portemonnee vergeten? Geen probleem, betaal morgen maar.

De winkel werd gerund door de Sparmeneer die met de andere Sparmeneer getrouwd was en schoonzus. En omdat het een dorpse super was kwam je nooit weg zonder eerst even bijgekletst te hebben, op de hoogte werd gebracht van het wel en wee in de familie en samen met minstens vijf medeklanten een goed kringgesprek gehad te hebben.

En daarmee kom ik op het huidige probleem. De Sparmeneer is zoekende. Naar zijn nieuwe identiteit. En die kan hij nog even niet vinden. Overdag is hij in het verlaten winkelpand de laatste dozen en kratten aan het inpakken. In zijn eentje. Hij luistert naar de echo van de vele klanten die er ooit waren. Hij wil kinderen een snoepje geven uit het plastic bakje naast de kassa. Er zitten er nog vier in.

Het meest mist hij deze gesprekken zodat hij nu als een soort Sparzombie met uitvallende naalden door de straten van het dorp doolt. Iedereen wordt aangesproken en net zolang vastgehouden tot hij weer op de hoogte is van alle nieuwtjes. Soms komt dat je niet zo goed uit en moet je een sluiproute naar de glasbak verzinnen zodat je niet in de “effe bijkletsen val” van de onttroonde Sparkoning loopt. Vanachter wat struikjes kan hij namelijk zo maar eens tevoorschijn springen en sta je, voor je het weet een half uur, vaak langer te luisteren naar zijn verhalen.

Natuurlijk is dit triest. En natuurlijk blijven we allemaal staan als we hem zien wuiven op de straathoek. We nemen gewoon broodjes en koffie mee. En die hebben we echt niet bij de Lidl gekocht.

van top tot teen

16 mei

 

Er zijn vrouwen met mooie tenen. Dat weet ik. Jaloers kwijlend kan ik naar advertenties met daarin foto’s van lieflijke voetjes kijken. Op zomerse terrasjes zie ik perfecte nageltjes boven het randje van een elegant sandaaltje uitpiepen. Toen ik een baby was, ja, toen had ik poezelige teentjes, daar zijn foto’s van dus dat weet ik zeker. Maar ergens in de puberteit heeft het Hobbitvoet- gen de genetische strijd om mijn tenen gewonnen.

Ik heb het eindelijk geaccepteerd, ik heb lelijke tenen. Mijn voeten blijven daarom hermetisch ingepakt in sok en laars. Geen schoenen met een romantisch opengewerkt voetje voor mij. Flapflaps zijn al helemaal uit den boze, verder dan een open hielstuk kom ik echt niet.

Zit ik op het strand met een verleidelijk badpak aan dan is het eerste wat ik doe mijn voeten discreet ingraven in het zand. Vroeger in het zwembad vouwde ik mijn voeten eenvoudigweg dubbel zodat het leek alsof ik helemaal geen tenen had. Alles beter dan mijn mismaaktheid te tonen want uiteraard was ik gauw op mijn teentjes getrapt.

Een bezoek aan de pedicure heeft helemaal geen zin. Die kan echt niets veranderen aan die knolvormige uitstulpsels aan mijn voet. Ja, er een keer over heen gaan met een scheermesje teneinde de weelderige haargroei wat in te tomen maar dat kan ik zelf ook wel.

Voor de zekerheid lak ik uit pure ellende mijn  teennagels knalrood. Zie dit als een afleidingsmanoeuvre voor het geval ik onverhoeds in een schoen of sokloze situatie terecht mocht komen. Denk aan verkeersongeluk met ziekenhuis of aan een leuke date in de kroeg die elders wordt voortgezet. Ook bij het lakken moet ik stechelen, mijn kleine teen is zo klein dat hij niet eens een noemenswaardig nageltje kan dragen. Meer een soort splinter. Daar kledder ik dus net zoveel lak omheen tot het een echte nagel lijkt.

Nou schijnen er mannen te zijn met een voet en of teenfetisj en ik kan me daar dus helemaal niks bij voorstellen! Ik gruwel bij de gedachte dat ik ooit zo’n man zal treffen. Zitten we romantisch aan het strand moet hij per se mijn voeten uitgraven en heeft hij zijn mond vol met zand. En maakt vrij snel daarna duidelijk dat we altijd nog goede vrienden kunnen blijven. Ik zal jubeltenend alleen achter blijven.

boys will be boys

14 mei

 

Mannen worden niet zo snel volwassen. Al in de puberteit lopen ze jaren achter op ons vrouwen. Tegen de tijd dat wij weelderige vormen gaan krijgen spelen zij nog met Lego, Action Man en loeren met nog niet ingedaalde testikels naar de BH-advertenties in de Wehkamp gids. Zelfs als na jaren dat verschil een beetje is bijgetrokken (kuch) blijven mannen, ongeacht hun leeftijd, jongetjes die van speeltjes houden. Boys wil be boys-achtige toestanden dus. Ze proberen dit natuurlijk ietwat krampachtig te verdoezelen.

Maar ineens kunnen ze niet meer zonder die super de luxe boormachine die naast gaten boort, koffie zet ook nagels vijlt. Telefoons moeten uiteraard het laatste van het laatste model zijn anders kunnen ze niet overleven in de jungle. Dat ze maar veertig procent van alle mogelijkheden gebruiken ontgaat ze hier volkomen.

Alles uit het foldertje Technische Vernuftigheden blijkt een magnetische aantrekkingskracht te bezitten en massaal stort ons manvolk zich als lemmingen de gapende afgrond in waar nog meer toys for boys te vinden zijn. Zijn wij vrouwen tevreden met een simpele televisie, desnoods met een afstandsbediening, mannen moeten en zullen per se een apparaat hebben waarvan de bediening toch minstens enige jaren rakettechnologie vereist. En denk maar niet dat ze dan de gebruiksaanwijzingen er bij pakken.

Natuurlijk is de toptoy for boys De Auto. Vermoeid knikken wij braaf na de zoveelste presentatie met lofzang in beeld en geluid maar kunnen bij de eerste keer tanken met geen mogelijkheid het benzineklepje vinden. Gelukkig is er bij ieder tankstation wel een man te vinden die die presentatie wel oplettend gevolgd heeft en kunnen wij volgetankt huiswaarts keren.

Maar goed, wij vrouwen zijn de beroerdste niet. Als wederhelft van bijna zestig zich in de tuin als een halve debiel gedraagt met zijn radiografisch bestuurbare helicoptertje, prima. Als hij maar uit mijn bloemenperken blijft.

Erger is het als de toyboy zich gaat bemoeien met mijn apparaten en toestellen. Ben je al jaren tevreden met je laptop en besturingsprogramma’s, moeten er ineens supersnelle andere op! Nooit problemen met de vaatwasser? Totdat manlief er zich over buigt en een instructieblaadje met daarop betere resultaten naast hangt. Niets vermoedend stap je ’s ochtend in je auto en heb je ineens mega superlatieve ruitenwissers en een meneer die zegt hoe je moet rijden. Je mag in het gewone dagelijkse leven niet meer doen zoals je deed want wederhelft heeft overal een gadget of app voor.

Wij vrouwen denken dan stiekem ‘Had hij voor dat éne ook maar eens een lekker gadget….’

maman fume une pipe

8 mei

 

In mijn eindexamen pakket zat Frans. Ik vond het destijds een leuke taal en je kon mij dan ook om een boodschap sturen naar de boulangerie. De jaren erna, tijdens mijn studententijd ging ik niet op vakantie naar Frankrijk. Hooguit één keer per jaar naar mijn moeder in Italië. Daar spreken ze geen Frans, zelfs geen Engels als je pech had. Dus mijn kennis van de schone taal werd langzaam maar zeker naar de achtergrond verbannen en werd ik nu naar de fornaio gestuurd om een boodschap.

Jaren later kwam ik met wederhelft wel weer in Frankrijk maar omdat hij daar jarenlang gewoond had  sprak hij de taal vloeiend. Ik mikte er steeds Italiaanse woordjes en werkwoorden door en werd honend weggelachen door mannetjes met alpinopetjes op. Dus wederhelft deed de boodschappen.

Tot de zonen op de middelbare school Frans kregen, dat viel niet mee. Zoon1 vertaalde ‘ le cerf volant’ als ‘de geweldadige sheriff’. Omdat ze er alle drie dus nogal moeite mee hadden was ik de afgelopen jaren minstens vier keer per week Franse woordjes en werkwoordvervoegingen aan het overhoren. En ineens kwam het allemaal terug!! Ik snakte naar een vakantie in Frankrijk om heerlijke volzinnen te kunnen spuien maar net dat jaar gingen we niet.

Nu heeft het dorp hier vlakbij qua naam een tweelingzuster in Brabant. Wel veel groter en met een omvangrijk industrieterrein. En dat levert regelmatig wanhopig verdwaalde vrachtwagenchauffeurs op die met een papiertje voor het grote I-bord staan. Laten dat nou negen van de tien keer Franssprekende chauffeurs zijn! Heel mijn ziel en zaligheid leg ik dan in het geven van de juiste route en verklaring waarom ze verkeerd zijn gereden. Ik probeer zoveel mogelijk woorden in mijn zinnen te proppen en sla mijn tentakels om mijn prooi. Ze willen graag verder rijden maar ik ben nog lang niet klaar met ze!

Ik vraag alles over hun jeugd, hun woonplaats, politieke voorkeuren en of ze het paard in de wei hebben staan. Hun angstige gezichten negerend zing ik de Marseillaise, vervoeg ongevraagd vier onregelmatige werkwoorden en vertel vloeiend over mijn drie bevallingen. Na een uur laat ik ze los.

Ze strompelen terug naar hun cabine en kunnen geen stokbrood meer zien. Ik schreeuw nog “L’état, c’est moi!!” en “Partir c’est mourir un peu!” en met gierende banden scheuren ze weg, alsnog de verkeerde richting op. Ik probeer nog hun nummerbord los te rukken om als souvenir mee te nemen.

Met een voldaan gevoel loop ik de Albert Hein binnen en sla een voorraadje Franse kaasjes voor die avond in. En wijn natuurlijk.

waar zouden we zijn zonder de trein?! kuch….

6 mei

 

Sinds ik op Twitter zit krijg ik leed en ellende van het, met openbaar vervoer reizend deel van de natie. De ergste wantoestanden komen live mijn boudoirtje binnen. Ik wist dat niet, ik was onwetend want ik vervoerde mijzelf uitsluitend met grote of kleine bolides om van A naar B te komen. Direct na mijn studententijd, de OV-tijd bij uitstek, behaalde ik mijn rijbewijs en kwam niet meer op centrale stations of haltes in the middle of nowwhere.

Ik kende het openbaar vervoer dan ook alleen maar als een zeer prettige manier van reizen. Treinen reden op tijd en er was plaats zat. De wagons waren schoon, je had zelfs een rookgedeelte en van stiltecoupés  had nog niemand gehoord.

Toen ik stage liep bij een maandblad in Den Haag was er een tweedaagse treinstaking van het NS-personeel! Iedereen kwam te laat op zijn werk en het land was in rep en roer. Ik misbruikte die staking om te gaan stappen met een studiegenote in Amsterdam en verscheen pas tegen elf uur op mijn werk.  “Tja, staking, hè?” Iedereen was vol begrip. Toen had men nog ontzag voor de NS en verlate treinen.

Ook nam ik minstens één keer per jaar een internationale slaaptrein naar Italië. Heerlijk relaxed, conducteurs die een slaapliedje voor je zongen terwijl ze de synthetische dekentjes tot aan je kin optrokken. En dan kreeg je nog een nachtzoen ook!

Dus na al die jaren was ik redelijk naïef als het ging om ellende op het spoor. Tot ik via Twitter de dagelijkse horrorscenario’s mocht meebeleven. Onze arme forenzen, zwaar ploeterend voor hun centen, worden voor én na de werkdag onderworpen aan een afgrijselijk lot. Vergelijkingen met volgepropte wagons heb ik wel maar die laat ik achterwege. Treinen rijden niet, treinen zijn te vol, treinen gaan de verkeerde kant op, treinen ontploffen en treinen blijven zonder enig duidelijke reden midden in weilanden stilstaan.

Op stations worden de reizigers via de geluidssprekers op satanische wijze van het éne naar het andere perron gestuurd. En als ze daar dan twintig minuten staan te wachten horen ze dat hun trein zojuist van het andere perron is vertrokken. Zelf mocht ik laatst op een doodnormale zaterdagavond met de trein van Utrecht naar Nijmegen. Ik heb de hele rit moeten staan, er was geen zitplek meer over.

Mede daardoor werd de ellende van de dagelijkse treinforens mij duidelijk. Vanaf die dag fungeer ik als uitlaatklep voor de, door het hele land op verkeerde benen cq sporen gezette medemens. Ik bied een luisterend oor, dep tranen weg met een papieren zakdoekje en stuur vrolijke liedjes naar mobiele telefoons.

Hoe is dit zo gekomen? Dat mensen als haringen in een ton moeten reizen?  Goed, er zullen vergeleken met dertig jaar geleden meer passagiers zijn. En daar heb ik een simpele oplossing voor. Zet meer treinen in! Of ben ik nou gek?

blij nijmegen

5 mei

 

Na de wedstrijd Ajax-NEC die voor NEC bijzonder goed was verlopen hing er tegen half elf ’s avonds een gelukzalige sfeer in de stad met hier en daar een toefje overwinningsroes. Toen wij in de al gereedstaande bus stapten werden wij begroet door een Nijmegenaar die meer dan vrolijk was en waarschijnlijk ook meer dan één biertje op had. Gelukkig had hij geen kwade dronk, wees ons onze zitplaatsen en heette ons blij welkom in de bus. Gehuld in een knalblauw trainingsjasje begon hij een gesprek met ons en nog twee argeloze passagiers. Al snel begrepen wij dat hij het over de gespeelde wedstrijd had. In het gangpad deed hij wiebelend de goalpogingen na en de lol spetterde van zijn gezicht.

De buschauffeur was nog nergens te bekennen en de steeds meer op gang komende man vroeg aan ons of hij dan de bus maar zou besturen. Hij beloofde ons veilig thuis te brengen. “Zal ik rijden, zal ik rijden!?”

Toen stapte de buschauffeur met zijn koffertje in. Een man van gemiddelde leeftijd met een gezicht dat zei dat hij liever thuis bij moe op de bank zat. Onze beschonken vriend met het blauwe jasje, laten wij hem voor het gemak Harry noemen, hield galant het deurtje naar de bestuurdersstoel voor hem open. “Heeft u de wedstrijd gezien?! “schreeuwde hij al bierbellen blazend tegen de Brengman. De man mompelde chagrijnig en ietwat afwezig dat hij de hele avond had moeten rijden.

Daarop begon Harry ongevraagd overnieuw met zijn verhandeling over de wedstrijd. De twee andere passagiers waren inmiddels gezellig voorinde bus komen zitten en lardeerden het gesprek met enthousiaste overwinningskrachttermen. Wij moesten lachen en gingen er even goed voor zitten, dit beloofde een leuke busrit te worden.

Eindelijk startte de chauffeur de bus en prompt vielen alle lichten uit en hoorden we slechts een knerperig piepen in plaats van een ronkende motor. Meteen sprong Harry van zijn stoel en vroeg wel drie keer aan de chauffeur of hij moest helpen. “Zal ik rijden, zal ik rijden!!” vroeg hij lichtjes zwalkend.  Gelukkig voor ons allemaal startte de bus na een harde knal en vertrokken we.

De stemming in de bus bleef meer dan gezellig. Toen er na drie minuten een wat oudere mevrouw instapte werd zij door Harry feestelijk onthaald. Galant begeleidde hij haar naar een stoel en ging na een kushand aan haar weer verder met zijn euforische verhalen over de wedstrijd. De mevrouw had het juiste soort humor en Harry kon naast wedstrijdwetenswaardigheden ook zijn liefdesbetuigingen aan haar kwijt.

Meegesleurd in de pretsfeer vergat één van de passagiers uit te stappen en riep vertwijfeld rond dat hij niet meer wist waar hij heen moest.  Aangezien wij toch moesten uitstappen namen wij hem mee en gaven hem een duidelijke routebeschrijving. Harry ging ondertussen ongestoord door met meer dan beeldende vertelsels, zwabberend van stoel naar stoel. De bus reed verder en nog meters lang konden wij het knalblauwe jasje zien rondspringen. Ben benieuwd of hij de mevrouw nog ten huwelijk heeft gevraagd.

 

het degradatie monster

4 mei

 

Ooit wist ik hoe de buitenspelregel precies werkte en kon dat ook uitleggen aan andere vrouwen. Wat wil je, met voetbalminnend vriendje, vader en broer is dat vrij logisch. Plus het verplichte Sport in Beeld ieder zondagavond. Inmiddels ben ik dat allemaal allang vergeten en kom alleen nog uit mijn stoel voor een finale met Oranje op een of ander WK. Kortgezegd, voetbal is niet mijn ding.

Nu stond er afgelopen zaterdagavond een belangrijke wedstrijd voor NEC ( spreek uit Enésee). Voor dat team heb ik dan een heel klein beetje een zwak na zoveel jaar in Nijmegen gewoond te hebben. Het degradatiemonster lag niet langer op de loer maar had zijn tanden reeds aan de keel van de Nijmeegse ploeg gezet, klaar om toe te slaan. Waarom ik er in toestemde deze beladen wedstrijd in de volks der volkswijken, het Waterkwartier, te gaan zien is mij nog steeds niet duidelijk.

Maar goed, daar zat ik tussen de echte die-hard fans. Blikjes bier overal en hier en daar een NEC-shirt plus groenroodzwart sjaaltje. Stilletjes prevelde ik een lang gebed dat Nijmegen mocht winnen. Bij verlies was ik namelijk erg bang voor de woede en verdrietuitingen van de aanwezige supporters. Denk aan rondvliegende bierblikjes en meubilair dat spontaan door ruiten werd gekegeld. Dat werk.

Dus toen er al snel een doelpunt viel, tot overmaat van ramp een eigen goal, ging ik met mijn blikje bier stilletjes wat naar achter en verdween in een hoekje van de kamer met de muren als rugdekking. Er vloog een schoen door de kamer en men sloeg ongenuanceerde kreten uit. Vers gerolde sjekkies leken op een kurkentrekker en iedere relativerende opmerking werd met een bijl afgekapt.

Tijdens de rust waren de, voornamelijk mannen te gefrustreerd om aan een plaspauze te denken. Speeltactieken en alternatieve opstellingen werden geopperd en spookscenario’s wisselden elkaar af. Gelukkig viel in de tweede helft al snel een tegendoelpunt van NEC, ditmaal in het juiste doel. Er vloeiden tranen en op alle gezichten zag je de hoop groeien en bloeien. Voorzichtig kroop ik uit mijn schuilplaats.

Al snel wilde ik terug want de tegenpartij scoorde een punt, 2-1. Nimmer had ik zulk een desillusie gezien in de gezichten van de aanhang. Mijn weg naar het veilige hoekje werd versperd door weggegooide bierblikjes en ter aarde gestorte fans. Ik kon geen kant meer op en verzoende mij met mijn angstig lot. De stemming daalde als een vallende baksteen en er werd nijdig gevloekt en getierd. Dit was erg.

Maar twee minuten voor het einde kreeg NEC het voor elkaar om de stand op 2-2 te brengen en dat was voorlopig voldoende om het degradatiemonster te keren. Toen volgden er zenuwslopende momenten met ook nog eens drie minuten extra speeltijd. Schreeuwend werd om het fluitsignaal gebeden, mensen hadden hartritme stoornissen en ademhalingsmoeilijkheden. Ik vond een gaatje in de massa en tijgerde snel onder de salontafel, voor het geval dat.

Eindelijk pakte de scheidsrechter zijn fluitje. De ontlading in de kleine woonkamer was enorm. Nooit geweten dat er zoveel verschillende oerkreten van vreugde waren. Alsof ze zelf de wedstrijd hadden gespeeld vielen de supporters doodmoe op de banken. De kust was veilig en ik kroop rustig onder de salontafel uit.

alle hens aan dek

1 mei

 

Ik verhaalde van de week al eerder over bootavonturen en mijn gevoelens daarover. Ondanks mijn rode haar en dus waarschijnlijk Viking gen in het bloed heb ik het niet zo op boten, schepen, kano’s en krakkemikkige houten vlotjes.

Tijdens mijn middelbare schooltijd bestond, geheel toevallig mijn gehele vriendenkring uit boot-o-fielen en oude zeeverkenners. Was het een beetje mooi weer dan stonden ze allemaal te joelen onder mijn raam en moest ik mee naar één of andere donkere plas of griezelige zijarm. Ik wilde geen spelbreekster zijn dus moedig hees ik mij in gepaste zeilkledij en reed op mijn fietsje achter de zeebonken aan.

Ik had toen net mijn echte contactlenzen. Eindelijk, een wens was vervuld. De combinatie van water en contactlenzen bezorgde me wat hoofdbrekens. Ik zou toch maar in het water vallen en die teerbeminde schatten kwijt raken!!  Dus toen wij de bootjes inklommen, ja ja, dat heet aan dek gaan, geeft meteen aan waar ik sta op de nautische ladder, besloot ik mijn lenzen meteen uit te doen. Geheel anticiperend op een watersnood had ik mijn lenzendoosje vastgeketend aan drie oude wijnkurken.

Natuurlijk liet ik mij niet kennen tijdens de vaart en volgde nauwgezet de opdrachten van schipper Luc op. Toen waren wij ineens midden op de donkere plas. En dan word ik altijd een beetje iebel. De gedachte aan meters diepe bodems en nooit ontdekte zusters van Nessie onder mij, zorgde ervoor dat mijn concentratie wegzwom en ik als een misvormde platvis op de voorsteven dwabberde.

Op de één of andere manier raakte ik altijd net in deze lethargische staat voordat de boot zou keren. Schipper Luc riep: “Overstag ! ” en ik sprong overeind uit mijn roes. Dat moet je dus net niet doen. Met een sierlijke zwaai van de giek werd ik iedere keer overboord geslagen. Hulpeloos dobberde ik in het angstaanjagende water en voelde de prehistorische vissen al aan mijn lichaam knabbelen. Mijn mede matrozen waren te druk met over het dek rollen van het lachen en ik wist hyperventilerend niet meer hoe de schoolslag moest.

Omdat mijn contactlenzen met drie oude wijnkurken veilig in de kombuis lagen, zag ik natuurlijk geen ene moer en trok met mijn Help gebaren steeds de verkeerde zeilbootjes aan. Uiteindelijk kwam schipper Luc, met zijn grote plusglazen bril zonder kurkjes!, terug om mij op te vissen.

Druipend dook ik onder in het vooronder en thuis gekomen pleurde ik met een beslist gebaar mijn favoriete klassieker Muiterij op de Bounty in de prullenbak. Geen maritieme avonturen meer voor mij. De enige uitzondering die ik later maakte was een tocht met het veerpontje tussen Randwijk en Wageningen. Voor de zekerheid stond ik naast de auto met de reddingsboei alvast om mijn heupen.