Archief | juli, 2014

it’a dirty job but somebody has to do it

25 jul

 

Ik heb een jaar of wat gewerkt op de afdeling Productie Personeel van mijn  uitzendbureau. Dat geeft je vrijdagmiddag sowieso al een heel andere sfeer. Zoals u weet worden op vrijdagmiddag de werkbriefjes van die week ingeleverd en drinken de uitzendkrachten een biertje tijdens het verwerken daarvan. Tenminste, zo ging dat zo’n twintig jaar geleden.

Eén van onze betrouwbaarste werknemers was een hele grote, best wel erg dikke Surinamer. Het type dat je om acht uur ’s avonds kon bellen om een gat in een nachtdienst op te vullen. Nou stond deze man op het punt om voor het eerst vader te worden. Al maanden leefden wij met hem mee en natuurlijk hadden wij hem al overladen met kadootjes en schattige babysokjes.

Dus toen hij die vrijdagmiddag gloeiend van trots en met zwetend hoofd binnenkwam wisten wij hoe laat het was. Dachten we… Nadat wij dames onze gelukwensen hadden gekustzoend ging de kersverse vader met een biertje op een kreunend krukje aan de balie zitten. “Zo “ zei hij “ Vanavond eindelijk weer eens lekker neuken”.

Daar waren wij dames niet geheel op voorbereid. De een verschoot van kleur,  de ander verschoof haar elitaire shawltje wat wijder om haar nek en ik dook naar een zogenaamd gevallen potlood toen onze uitzendkracht begon over “lekker wijd” en “sappig”.

Onszelf hergroeperend uitten we kreten van afschuw en vormden een front voor alle net bevallen vrouwen in de wereld, met woorden als rust en kraambed en auw. Zelf waren wij nog moedermaagden dus helemaal begrijpen deden wij dat natuurlijk ook niet.

Onze grote man klokte zijn biertje naar achter en stond op van het nu op instorten staande krukje. “Nou, dames, tot volgend week! “ en hij trok wellustig gemeend zijn broek over zijn kolossale heupen. Wij trilden nog een kwartiertje na met onze benen zedig en gepast over elkaar.

Een week later trok een werkzoekende jongen zijn mes en begon daarmee voor onze ogen te zwaaien. Hij was boos omdat hij liever door een man geholpen wilde worden en omdat wij dames hem geen baan wilden geven omdat hij geen Nederlands sprak. Toen ben ik op de afdeling Administratief en Medisch Personeel gaan werken. Nooit meer wat meegemaakt behalve dan die gescheurde panty of dat vergeten lipstickje.

zuster Vesuvius

14 jul

 

En daar lag ik dan. Met een levensgrote smiley in mijn buik gesneden en een –A cup in een leuke B veranderd. Het deed allemaal niet echt veel pijn maar de verpleegsters die om mij heen zoemden de eerste uren bleven zeuren dat ik toch echt op die morfinepomp moest drukken. Zo vasthoudend dat ik moest kijken of ze niet een illegaal buisje hadden afgetapt naar hun eigen lijf.

Algauw had ik een favoriete verpleegster, Maike. No Nonsense girl met humor. Die moet je hebben. Dat is een voorwaarde voor een spoedig herstel, lachen. Eén dag na de operatie moest ik een vernevelingsmaskertje op vanwege een opoe rochel in de luchtwegen. “Prima” riep ik naar Maike “Laat maar komen! “ Tja, ik wist niet beter…

“Het stinkt wel een beetje” zei ze terwijl ze een Hannibal Lector- achtig ding op mijn gezicht vastsnoerde. Dat was het understatement of the year. Geelblauwe zwaveldampen drongen mijn neus en mond binnen. Van afschuw hield ik mijn adem in zodat ik na drie minuten gierend zuurstof én zwavelstof inhaleerde. Door de walmen heen zag ik Maike met een duivelse grijns de rotte eierwekker op tien minuten zetten. Toen het verlossende signaal kwam hadden meerdere zwavelmoleculen zich in mijn tandglazuur geëtst en waren mijn lippen met luciferkopjes geplaveid.

Over vier uur mocht ik nog een keer. Koortsig bedacht ik uitvluchtwegen, googelde naar alternatieven maar vond niks. En veel te snel kwam Maike weer aan met dat satanische masker. Verbeeldde ik me dat nou of kreeg ze echt hoefachtige handjes en een gespleten tong? Smeken hielp niet, huilen niet en ook was zij niet om te kopen hoe hard ik ook waaide met het briefje van tien Euro.

Gelegen op mijn bed aan de rand van de vulkaan onderging ik mijn lot. Hoe het sprookje van het meisje met de zwavelstokjes precies ging wist ik niet meer. Wel herinnerde ik me dat zij het niet overleefde. Ik wist hoe ze zich gevoeld moest hebben.

Het avondeten had een overheersende rotte eierensmaak en een bescheiden scheetje onder mijn dekens produceerde een zwavelgasbel waar een klein Gronings dorpje drie maanden de CV van had kunnen laten branden.

’s Avonds stond ze weer naast mijn bed. Maar met gele tanden in een afstotelijke Beëlzebubgrijns en ademend in haar gezicht zei ik: ” Oké, maar eerst zoenen ”. Toen hoefde ik niet. En de volgende dagen hield ik gewoon mijn hoestje in als ze voorbij liep.