Archief | november, 2014

Oefenbaby

28 nov

 

Toen wij als jong Yuppenstel een hond namen, stuurde ik quasi grappig geboortekaartjes rond en vertelde familie dat deze hond onze oefenbaby was. Hahaha! Later lachte ik hierom wat minder..

Als het kindhondje naar de dierenarts moest voor inentingen planden wij dat in onze yuppen-agenda en maakten weken van te voren vragenlijstjes en noteerden eventuele afwijkende gedragsvormen van het beest. Speciale transportkooitjes werden aangeschaft waar aan wij Bram ( want zo heette hij) lieten wennen in de week voor de afspraak. Dat de veterinair slechts drie blokken verwijderd was van ons huis, drong toen niet zo tot ons door.

Gespannen zaten wij in de wachtkamer met een keurig geborsteld en geplukt hondje te wachten. In de spreekkamer aangekomen bombardeerden wij de dierenarts met zoveel vragen en opmerkingen tegelijk dat de arme man er van overtuigd was dat er een heus mensenkind in dat plastic bakkie zat.

Maar al snel tilde hij met een vloeiende beweging de pup uit zijn kooi en deponeerde die op de behandeltafel. Geschrokken schoten wederhelft en ik naar voren! Het was een heel smal tafeltje, ons oogappeltje zou er eens af kunnen vallen!!

Intussen had de dierenarts al door dat wij zo’n overdreven bezorgd honden-oefen-baby-stel waren en toen ik vroeg of het verstandig was om wat peterselie door het voer van het hondenkind te mengen keek hij me aan en slaakte alleen een diepe zucht.

Na de eerste zomer kampeervakantie met Bram durfden mijn vader en zijn vrouw niet meer langs te komen. Zij wisten dat alle vakantiefilmpjes  vol zouden zijn met Bram bij de Franse rivier, Bram in de tent, Bram buiten de tent, Bram eet uit een Frans bakje, Bram draait een Franse drol, Bram kijkt naar een Franse poedel, Bram eet een stokbrood.

Die herfst wandelden wij door de Utrechtse bossen. We lieten Bram even loslopen, lekker, kon hij even voor ons uit rennen en dan weer terug. Dat deed hij dus niet. Dat terug. Na twee meter schoot hij links de bosjes in en verdween.

“Ach joh” grapten wij naar elkaar. “De puber wil even zijn grenzen verkennen! “ en wij floten vrolijk door de bomen heen zijn  ‘kom hier’ signaal. Na twintig minuten had ik zo’n droge bek en kloppend hart dat ik niet meer kon fluiten en alleen nog maar piepend “Bram! Waar ben je?” kon uitroepen.

Tegen die tijd begonnen we ook mede-wandelaars lastig te vallen. Of ze een kleine bruine Cairn Terriër hadden gezien. Na nog eens een half uur liet ik alleen maar de lege riem voor me uit bungelen en kon nog net iets van “Hond??” uitsnikken. Na anderhalf uur gaven we het op, reden naar huis en belde 112. Goed, dat bestond toen nog niet, net zoals mobiele telefoons, ik geloof dat we de politie gebeld hebben.

Een uurtje later kregen we een telefoontje. Bram was gevonden! Bij een hippisch concours in Leusden. Toen wij hem wenend en trillend in onze armen sloten was hij zo volgepropt met friet, kroket en chips dat we die peterselie er nooit meer in hebben gekregen.

  1. Met Bram is het goed afgelopen. Met onze drie mensenkinderen ook.

Geloof het of niet.

20 nov

 

Hier in huis zijn we niet gelovig in wat voor een godsdienst dan ook. Al een paar generaties niet alhoewel mijn oma van 95, toen ze dat nog kon, trouw iedere week naar de kerk ging om kaarsjes aan te steken voor familieleden die wel wat extra geluk konden gebruiken. Toen ik eens onverwachts bij haar langs ging en haar niet thuis trof zei ze later “Godverdomme, toen zat ik net in de kerk. “ Om u een idee te geven.

Ik beleefde rond mijn tiende een kortstondige zoektocht naar de Heer maar toen mijn kanariepiet Jozef na twee dagen al dood in zijn kooi lag, stelde ik mijn verwachtingen ietwat bij. Ik las nog wel effe snel Het Hooglied uit de clandestien verkregen bijbel en toen was het over.

Zoon1 wilde op de basisschool graag de facultatieve godsdienstlessen op woensdagmiddag volgen. “Mijn zegen heb je” zei ik tegen mijn achtjarige eerstgeborene en hoopvol ging hij op weg. Er van overtuigd dat op al zijn prangende levensvragen nu een antwoord zou komen.

Toen hij na het aanhoren van het één en ander tot de conclusie kwam dat God een tovenaar was die wat had zitten klooien met The Big Bang, werd hij zedig terechtgewezen door de godsdiensttrut. En het was meteen afgelopen met zijn interesse.

Toch bleef het opperwezen zo nu en dan voorbij komen in ons gezin. Tijdens een woelige nacht waren alle drie de jongens bij mij in bed gekropen. Toen ik het daarover had tijdens het ontbijt zei zoon3 “Maar jij hebt ook een godsbed. “ Op mijn vraag wat hij daarmee bedoelde antwoordde hij “Nou, iedereen komt naar je toe. ” Voor de zekerheid keek ik stiekem in zijn boekenkastje om die naar binnen gesmokkelde kinderbijbel te zoeken. Maar zoon3 kon toen echter nog niet lezen, hij had niet eens een boekenkastje.

Eens luisterden we naar Peter en de wolf en ik vertelde “Dat is opa, de fagot”. Zoon2 schreeuwde verheugd “De opa van God?!!” want hij wenste iedereen natuurlijk een opa die je wat knaken gaf als je je rapport liet zien. Maar later, tijdens een gesprek met zijn jongere broertje bekende hij “Ik geloof niet in God, ik ben ook niet bedruipt.” Ja, ik moest ook even nadenken.

 

Vakantie!

18 nov

 

Met mijn ouders  was ik eens in Engeland. Ik was een jaar of elf, mijn broertje negen. Dientengevolge mochten wij niet eens in de buurt van de drempel van de pub komen vandaar dat onze ouders ons dus tegen een uurtje of zes parkeerden op een ruraal muurtje in de nabije omgeving. Nu sloten de kroegen in Engeland om elf uur dus erg hebben wij niet geleden.

Gelukkig deden we ook nog andere dingen, die vakantie. We bezochten de heuvel van Watershipdown en het meer waar King Arthur zijn geliefde zwaard in gegooid zou hebben. Konijnenkeutels vonden we in overvloed maar nergens een gedenkwaardig restant van Arthur, niet eens een tafelpoot!

Op een zonnige middag vertrokken we voor een stevige wandeling in de heuvels. Na een uur hadden wij nog geen ander levend schepsel gezien. Alleen een schedel van een schaap. Die moest mee want broertjelief zat in zijn schedel- en botten verzamelfase. Toen had je nog niet standaard een plastic zakje in je jaszak zitten vandaar dat mijn vader de schedel op een lange tak stak en zo ver mogelijk van zijn neusgaten verwijderd verder droeg.

Na een half uur kwamen we bij een lieflijk beekje dat via rotspartijen vrolijk naar beneden kletterde. Ik ging zo bevallig mogelijk met mijn pre-puberale lichaam op een uitstekende rotspunt zitten en verbeeldde me in Kopenhagen. Goed, dat zeemeerminnetje had dan wel geen bril maar toch! Mijn broertje klauterde voorbij over de rotspunten en omdat mijn vader aan het filmen was met zijn super 8 camera, hield ik hem behoedzaam vast aan zijn armpje. Fake natuurlijk, op die leeftijd zie je je jongere broertjes graag verzuipen in lieflijke beekjes.

Na nog een uur verder lopen stootten we, in the middel of nowhere, op een verroest autowrak. Nu zat mijn broertje niet alleen in de schedel- en bottenfase maar ook in de nummerbordenverzamelrage. Wel beschouwd zat hij op die leeftijd in alle mogelijk denkbare fases. Hij spaarde alles zodra hij er ergens één van had. Smurfen, sleutelhangers, speldjes, schroefjes, spullen uit de oorlog, plaatjes van Elvis, kristallen, tanden en kiezen.

Dus mijn broertje verstijfde bij de aanblik van het autowrak en stak een begerig trillend vingertje uit naar het nummerbord dat aan het karkas hing. Net zoals wij geen praktische plastic zakjes in onze broekzakken hadden, ontbeerde mijn vader een degelijk zakmes. Ja, zelfs een simpele schroevendraaier had volstaan maar het enige dat hij kon opdiepen uit zijn zakken was een stukje flossdraad. ( hij was tandarts, vandaar).

Desalniettemin gooide onze pater familias alles in de strijd om de nummerplaat van het wrak te scheiden. Er zijn foto’s van. Vaders met de geijkte jaren zeventig baard die vruchteloos staat te rammen met een kei op erg vastgeroeste schroefjes. En mijn broertje ernaast, hoopvol kijkend.

Het is niet gelukt. Wij arriveerden die middag op de camping met alleen een rottende schapenkop op een stok. Mijn broertjes gelaatsuitdrukking vertoonde pas na vijf uur geen gelijkenis meer met het ontbindende schapenhoofd. En toen mijn moeder de schedel ging uitkoken in een grote pan waren we meteen van die vervelende buren af.

 

Dag Jetty

10 nov

Mijn moeke uit mijn Twitter Tl besloot er stiekem tussenuit te piepen. Nadat ze me eerder die zaterdag  nog op mijn donder had gegeven omdat ik er toch op uit ging met de auto, wenste ze mij en de mijne welterusten die avond. Daarna bleef het stil.

Wat niemand wist is dat zij trouw al mijn stukjes op mijn blog las én de broodnodige verbeteringen op taalkundig gebied aangaf via DM. Haar geweldige kennis van het Nederlands behoedde mij dikwijls voor erge blunders en stijlfouten. Het zal nooit meer hetzelfde zijn zonder haar.

Dag Will

4 nov

 

En daar lag hij dan. Mijn buurman. Will. Ik zie hem nog voorbij scheuren in de zomer op de motormaaier in zijn korte broek en blote buik. Nu lag hij in zijn mooiste overhemd koud en kil in een kist. Ik zag aan zijn gezicht dat hij pijn had gehad. Zijn rechter mondhoek onherstelbaar verzakt. Een frons tussen zijn wenkbrauwen die ik niet kende. Dit was Will niet.

Ik aaide zijn hand. Die was koud. Will was tenslotte al acht dagen dood. Ik dacht aan zijn laatste Twitterbericht aan mij. Waarin hij vertelde dat hij op mij gestemd had bij een verhalenwedstrijd.

En aan een verschil van mening dat we hadden waarop ik hem twee pompoenplanten bracht als zoenoffer. En dat hij tijdens de buurtbarbecue geniepig glimlachend meldde dat de slakken niets overgelaten hadden van die planten.

Nu is hij er niet meer, mijn buurman met de scheve jongenslach.