Archief | februari, 2015

Contactje

26 feb

Ik rij dan wel heel stoer rond in mijn te grote auto maar u, trouwe lezer, weet beter. Bij ieder vreemd klinkend geratel of branderig luchtje kruipt er een ijskoude griezel van onderuit mijn ruggengraat naar boven. Er blijft niets over van mijn stoere ik waarmee ik even daarvoor nog een Mini de berm insneed en een Opel op twee centimeter voor was op de rotonde.

Ik begin dan miemelend en smekend te praten tegen mijn voertuig in de hoop naderend onheil te voorkomen. Ik beloof hem heerlijke wax-massages en vertel over hoe lekker ik met de stofzuiger over zijn binnenste zal gaan. Meestal werkt dit maar dit keer niet. Op deze ochtend moest ik het Profiel WerkStuk van zoon3 afleveren bij de middelbare school, zo’n vijftien kilometer verderop. Het gevaarte was te groot en te delicaat geworden om op de scooter te vervoeren. Dus ach, daar ben je moeder voor.

In de eerste bocht waarin ik gas terug nam ontbrandden mijn dashboardlampjes allemaal tegelijk op als een misplaatste kerstboom met een opvlieger in eind februari. Dat was eng! Normaal valt dan de motor uit maar na een peut gas doofden de lichtjes en reed ik verder met één oog op de weg en het andere op mijn dashboard.

Bij de eerste, van de negen miljoen in Nederland,  rotonde floepten alle lichtjes weer felrood op maar de motor bleef zoemen. Op dat moment had ik het lef om te denken: “Oh, het is vast een los contactje!!” Dit had ik geleerd van wederhelft die alle problemen met auto’s terugbracht tot Komt er rook uit de motorkap? Zo, nee, dan is het een los contactje.

Maar na een kilometer of wat gingen de lampjes niet meer uit, hoe hard ik ook pompte op het gaspedaal. Mijn aura werd roodgekleurd door de gloed die van mijn dashboard afkwam maar ik reed stug verder. Het was wel het Profiel WerkStuk van zoon3, ja? Al lichtgevend arriveerde ik bij de school en trok haastig de sleutels uit het contact om eventuele spontane  ontbrandingen geen kans te geven. Mission accomplished!

Toen  moest ik terug. Direct na het starten van mijn auto glunderden alle lichtjes mij vrolijk toe. “Niks aan de hand” prevelde ik. “Los contactje” en ging op weg. Uit voorzorg nam ik wel de route met genoeg vluchtstrook om te kunnen stranden als dat nodig moest  zijn. Uiteraard begon mijn auto op het stukje wegennet waar geen vluchtstrook was te sputteren. Daar waar al die Betuwse  boeren met minstens negentig over heen kachelen terwijl dat helemaal niet mag!

Alle elektronica reageerde als verdoofd in slow-motion. Mijn knipperlicht deed één bliep per minuut, mijn raam ging met geriatrische snelheid naar beneden en mijn claxon klonk als een stervende olifant. Remlichten hetzelfde verhaal zodat ik uitgetoeterd werd door medeweggebruikers toen ik eindelijk een plek vond om te stranden.

Daar, in een armzalig bermpje, belde ik de ANWB. Wederhelft bellen heeft geen zin, er kwam immers geen rook uit de motorkap dus was het vast een los contactje dus wat wilde ik nou? Na twintig minuten kwam de ANWB-man. Hij hoorde mijn verhaal aan en zei: “Ik denk dat ik het wel weet.”  En liep naar zijn auto om vervolgens met een grote hamer onder mijn motorkap te duiken. Kloink, klonk het. “Vastgeroeste dynamo” zei hij.

Die bewaar ik voor mijn volgend nachtmerrie rit. Gas is op, los contactje of vastgeroeste dynamo!

Tot de dood u scheidt…

25 feb

 

Vroeger, toen ik op de lagere school zat, was het leven vrij ongecompliceerd. Je had je vader en moeder en je opa’s en oma’s. Netjes overzichtelijk en stamboom getrouw. In mijn tijd gingen ouders niet uit elkaar, ik kende geen kinderen van gescheiden ouders  toen ik in de laagste klassen  zat. ( nu groep 3 en 4, voor de jongeren onder ons) En dan hebben we het over eind jaren zestig, peace, San Francisco en bloemen en zo.

Tegen de tijd dat ik veertien was, was echtscheiding echter al lang geen big issue meer al weet ik wel dat ik jankend op de wc zat te bedenken hoe ik dit aan mijn vriendinnetje moest vertellen. Goed, ik was allang niet meer de eerste van mijn klas maar toch overwoog ik effe om lekker niks meer te doen voor school omdat ik natuurlijk een giga mooi excuus had! Gelukkig was ik daar iets te slim voor.

Het leven kabbelde voort en ik had ineens een vader met een partner én een moeder met nieuwe vrijer. Dat betekende wel twee extra kadootjes op je verjaardag!! Zo beroerd was dat scheiden dus helemaal niet.

Toen ik later zelf kinderen kreeg werd het wat moeilijker om alle familierelaties duidelijk in kaart te brengen bij mijn kleuters. Dat is sowieso de leeftijd waarop ze zich een hele middag konden verbazen over alle interfamiliaire relaties. “Huh, is tante Lizet een zus van opa?” dat soort dingen.

Nou had ik toen mijn kinderen jong waren zelf ook nog een opa en een oma. Dan vraag je erom, ik weet het. Van een stamboom was inmiddels ook geen sprake meer, het was een wild woekerende jungleplant geworden. Namen als overgrootmoeder gebruikten wij niet en al gauw verzonnen de kinderen eigen namen voor al die kadootjes brengende familieleden.

Mijn moeder was nogal klein van stuk dus die heette al gauw Kleine Oma. Mijn eigen oma was natuurlijk oud maar ook fors van postuur; Grote Oma was een feit. De vader van wederhelft was ooit geopereerd aan staar dus zijn naam was Opa Auwoog. Mijn vader en zijn vrouw hielden nog een restje zestiger jaren aan qua naamgeving en werden Opa Rob en Oma Carla. Oma Carla had ook haar beide ouders nog maar hier hield het verbandenleggend vermogen van de zonen op.

Iedere keer, bij iedere verjaardag of familie evenement mocht ik de onderlinge verhoudingen uitleggen aan de zonen en ze bleven zich verwonderen. Vielen ze van hun stoel van het lachen als bleek dat die en die kinderen waren van die en deze. En dat ik geen dochter was van Oma Carla maar van Kleine Oma.

Omdat wij om de vijf jaar een groot familie weekend hadden, oefenden ze weken van te voren met foto’s en namen en ik overhoorde ze dan bijtijds. Nu zijn we op het punt beland dat ze alle leden kunnen benoemen met de bijbehorende relaties. Dus heb ik per email aan al mijn familieleden gevraagd om alsjeblieft niet meer te echtscheiden en niet nog meer nieuwe partners in de woekerplant te plaatsen.

Beuningen

22 feb

Beuningen. Zo’n dorp waar je niks te zoeken hebt. Je scheurt er af en toe doorheen op weg naar iets anders maar je hoeft er nooit te zijn. Toch vertrokken mijn gezelschap en ik op een druilerige zaterdagavond naar dit, in de verste verte geen parel van het Land van Maas en Waal, dorp. Een bekende van één van ons zou die avond optreden in het plaatselijke etablissement . Van tevoren had ik een opname van een repetitie van de band gehoord en ik bedacht me daarna dat we wel niet zo lang zouden blijven.

Het was zware kost, type muziek waar grote mannen met hun lange haar staan te zwaaien en de zanger slechts onduidelijk kreten vanuit zijn anus voortbrengt. Toen wij echter tegen negen uur over de drempel stapten klonk er alleen wat onschuldig aandoend gestem der instrumenten en werd er nog niet met hoofden gebangd.

Twee vrouwen met een glaasje witte wijn waren al aanwezig maar voor de rest was de ruimte nog leeg. Wij gingen zitten met een biertje en wachtten nieuwsgierig af. Toen alle instrumenten voldoende op elkaar waren afgestemd kwamen de muzikanten bij ons zitten. Uit niets kon ik opmaken dat ze straks muziek zouden maken waarbij de doden uit hun graf zouden opstaan. De vijf mannen zaten heel bedeesd met hun glazen in hun hand,  ééntje maar had lang haar en dat zat in een keurig staartje.

Trillend van de zenuwen vertelden ze dat dit pas hun tweede echte optreden was. “ Ik weet niet of Beuningen al klaar is voor ons.” sprak de zanger zachtjes en de andere bandleden knikten timide.

Ondertussen liep de kroeg vol met argeloos zaterdagavond publiek. Veel vrouwen, helemaal opgetut en met uitdagende bloesjes aan, die hoopten nu eens eindelijk een leuke vent tegen te komen. Ze vergaten daarbij dat dit de enige uitgaansgelegenheid van het dorp was en dat ze alle mannen die binnen kwamen al kenden. Daarom werden er al snel omfloerste en hoopvolle blikken geworpen op de steeds zenuwachtiger wordende bandleden.

Vlak voor ze het podium mochten beklimmen vertrok de groep en masse naar het toilet en even was ik bang dat ze door de achterdeur zouden verdwijnen maar ze kwamen terug en toen zou het toch echt beginnen. Onwennig sprak de zanger wat welkomswoorden in de microfoon en begon te zingen.

Het intro klonk nog lieflijk en toegankelijk en de dames wipten met hun voetjes mee. Totdat de gitaristen begonnen te spelen. Snoeiharde geluiden uit de krochten van de hel! De nette paardenstaart van de zanger vloog in het rond en een mevrouw verslikte zich hevig en luidkeels in haar wijn. Hier en daar hoorde je glazen breken, één vrouw viel van haar kruk en stoere mannen met baarden trokken wit weg rond hun neus. De band ontging dit alles, ze zaten diep in hun muzikale roes en speelden alsof de duivel hun op de hielen zat. Volgens mij was dat ook zo.

Toen we tijdens de pauze met de bandleden buiten een sigaret stonden te roken kwam er een man wankelend naar buiten gekropen en terwijl hij naar zijn auto strompelde zei hij “Jezus, wat een takkeherrie!”. “Yep” mompelde de zanger. “Beuningen is nog niet klaar voor ons. “

Weekend retourtje.

15 feb

De trein van Assen naar Arnhem was niet eens bijzonder volgevuld. Plek zat maar omdat er van mijn gezelschap een zware hutkoffer vol boeken mee moest, zaten wij noodgedwongen op de plek die doorgaans gereserveerd is voor de VouwFietsForenzen. Die uitklapbare stoeltjes daar bevinden zich tegenover het toilet en toen ik zag dat de vloer kleddernat was van een blauwige vloeistof dacht ik meteen naïef dat de wc iets te grondig was gereinigd door de schoonmaker.

Die verdenking liet ik echter meteen varen toen ik een van onze medereizigers bekeek.  Een man, jaartje of dertig met een verwilderde blik in zijn ogen. In zijn handen een fles Blue Curacao waarvan hij de resterende inhoud, met een tremor van daar tot aan Nijmegen, in een reisflesje probeerde te gieten. Na de Blue Curacao volgde een half leeg blikje bier en alles werd, mede dank zij de schuddende trein, tot een cocktail geshakted.

Gelukzalig zette de man het brouwsel aan zijn lippen en begon toen in volle verliefdheid en overgave tegen het flesje te praten. Op dat moment begreep ik dat wij misschien niet met een doorsnee burger te maken hadden. Dat had ik overigens eerder kunnen weten want de man had zijn reistas op wieltjes omwikkeld in roze badstof en uit die tas staken allerlei vreemde attributen.

Ook was hij hartje winter slechts gekleed in een t-shirt met korte mouwen en een mottige trainingsbroek. De rest van zijn kleren lag op een hoog stapeltje naast hem. Wij mochten het ledigen van de fles met blauwe drank in alle intenties meemaken. Niets bleef ons bespaard in deze onbedoelde eenakter.

Toen stond de man op. Na twee passen maakte hij een vervaarlijke slingerbeweging maar zoals dronken mensen doen keek hij lachend naar beneden om meteen de oneffenheid in de vloer de schuld te geven van zijn gestruikel.

Iets verderop in de hal was nog een prullenbak en daar propte hij de lege fles Blue Curacao in. Hij schuifelde terug naar zijn plaats en liet zich met bijpassende geluiden op zijn stoel vallen. Vervolgens haalde hij twee potjes vla uit zijn knalroze reistas. Luid begon hij aan de deksels te snuiven. Hij praatte tegen de chocolade variant om vervolgens het aluminiumpje van de gele te halen. Dat aluminiumpje verdween geheel in zijn mond en kwam er als gemuteerde vorm weer uit.

Net toen ik dacht dat het niet veel erger meer kon stak de man zijn wijsvinger in het bakje gele vla. Die vinger doopte hij met een ronddraaiende beweging in de vla en daarna in zijn mond. Met begeleidend gesmak. Op dat moment haakte ik af en deed alsof ik mij verdiepte in mijn boek.

De vlaflippende man sprak tegen het overgebleven publiek: “Ik zie in jullie lichaamstaal dingen die mij niet bevallen”.  Gelukkig was het publiek verstandig genoeg om hier niet op te reageren. De man begon toen tegen zijn potje haargel en tandenborstel aan te praten. Dat vond ik toch wel knap, dat hij glijdend over de Blue Curacao, naar het toilet verdween om zijn tanden te poetsen. Wij mochten gelukkig in Zwolle overstappen op een andere trein.

De buis.

11 feb

 

In den beginne, toen ik jong was, hadden wij geen kleurentelevisie. Het was begin jaren zeventig en wij keken braaf in zwart-wit naar wat de tv ons te bieden had. Zo’n monsterlijk groot apparaat dat ongeveer de helft van de zithoek in beslag nam.  Nou bood die televisie niet veel in die tijd. Nederland één en twee en omdat wij dicht bij de Duitse grens woonden hadden wij via onze wiebelige antenne op het dak ook de beschikking over die netten.

Televisie speciaal voor de jeugd was in die tijd nog een ondergeschoven kindje en daarom keken mijn broertje en ik veel naar de Duitse televisie. Sesamstraat, Die Maus (die met die irritante klikoogjes)  en naar iets dat De Rommelkist heette maar dan op zijn Duits.

Als wij op zaterdagavond, de avond van TV-Nederland, op mochten blijven om te kijken was er een programma als Eén van de Acht of ander volksvermaak op de buis. Dan zei ik bijvoorbeeld “Die man in dat rode hemd gaat winnen!”  Dan zei mijn broertje “Hij heeft een groen hemd!”  Let wel, wij keken zwart-wit maar verzonnen de kleuren erbij.

Om uitsluitsel te krijgen hadden wij een goeie truc. De buren, die al jaren een kleurentoestel hadden, deden op erg Hollandse wijze nooit de gordijnen dicht ’s avonds. En zij keken negen van de tien keer naar hetzelfde net als wij! Wat natuurlijk niet zo moeilijk was in die tijd met maar twee netten. Dan tilden mijn broertje en ik het rolgordijn op ( ja, mijn ouders waren wel trendsetting wat raambekleding betrof. En ik was ook de eerste in mijn klas die onder een dekbed sliep in plaats van dekens maar dat terzijde) en zagen wij op de televisie van de buren welke kleur het hemd nou daadwerkelijk had. Wij wisten niet beter en hadden vrede ermee.

Toen wij met de hele familie bij mijn Duitse opa en oma, die wel een kleurentelevisie hadden,  de historische, nog steeds traumatische finale van 1974 Duitsland-Nederland keken, stond er na twee weken een kleurentelevisie bij ons thuis.  Mijn vader zei dat hij dat had gedaan voor de natuurfilms die op tv waren te zien. Dat vond hij opvoedingsgewijs beter. Natuurfilms kan ik me niet echt herinneren uit die tijd. Wel dat we met het bord op schoot iedere zondagavond naar Studio Sport moesten kijken…

Wachten.

10 feb

 

Nou zijn wachtkamers in ziekenhuizen en dokterspraktijken niet de ruimtes waar je helemaal zen gaat zitten wezen. Je komt er per slot van rekening niet voor je lol, meestal is er sprake van iets naars. En daar kan geen goed gevulde leesportefeuille iets aan veranderen. Als je tenminste de mazzel hebt redelijk up-to-date Privé’s en Story’s te mogen lezen. Ik mocht het vanmiddag doen met een overjarig autotijdschrift en een bikini special van zomer 2014.

Na zo’n tien minuten wachten arriveerde er een kersverse jonge moeder met haar baby in een futuristisch uitziende Maxi Cosi annex vliegtuig cq sneltrein kinderwagen. De laatste keer dat ik achter een kinderwagen liep waren die dingen nog als zodanig herkenbaar. Tegenwoordig lijken het wel fitnessapparaten waar je aan elke hoek kleurpassende accessoires kunt klikken en je iets oudere peuters aan vast kan koppelen.

Dit babytje, alles was in blauwtonen uitgevoerd dus duidelijk een jongetje, was hooguit twee weken oud. Na drie minuten vond hij de omgeving, de geluiden en het geroezemoes genoeg en hij verkreukelde zijn koppie om een hele grote huil diep uit zijn teentjes te halen. Het was een jonge moeder en dit was duidelijk haar eerste boreling. Was ze vanochtend nog zo blij dat ze weer in haar skinny paste, nu was van die blijdschap niet veel meer te merken. Wankelend op haar hoge hakken, kon ook eindelijk weer, probeerde ze tevergeefs het fopspeentje, blauw natuurlijk, in het kleine mondje te proppen. Het kinderhoofdje werd alleen maar roder en roder en het babytje zag er al snel uit als een heel kwaad oud mannetje.

Ik zat op mijn handen. Als praktijkmoeder wist ik dat maar één ding zou helpen, het kind uit die space shuttle zien te pulken en lekker tegen je aanhouden. Na nog eens vijf minuten waarin moeders ook steeds roder en zweteriger werd besloot ze dat inderdaad te doen.

Een serene stilte zeeg neer in de wachtruimte. Ik glimlachte naar haar en zei: “Dat blijft hij de komende achttien jaar echt nog wel doen, hoor. “  Gelukkig kon de kersverse moeder hierom lachen en ze verzekerde me dat hij helemaal niet zo veel huilde, alleen ’s nachts nog wel eens.

“Da benne oardstroalen!” klonk een stem vanuit de andere hoek. Een wat minder makkelijk te definiëren vrouw had zich losgerukt van de zomerspecial in de wetenschap dat ze die bikini’s toch niet zou passen en besloot de jonge moeder van advies te dienen. “Watte?” vroeg deze daarop.

“Oardstroalen, die komme vanuit de grond en goan dwars door je huus!” Op dat punt besloot ik mij te verdiepen in het nieuwste model Volvo van 2012. De jonge moeder trok witjes weg en zag haar zoon al gespiest worden door Star Warsachtige rode laserbeams. O nee, blauwe natuurlijk! Ze was duidelijk niet op de hoogte van het fenomeen aardstralen. De niet nader te definiëren vrouw volgens mij ook niet.

Er volgde een hele verhandeling over het verplaatsen van de wieg en op het laatst gooide de mevrouw onbedoeld ook nog wat Feng Shui wijsheden de wachtkamer in want de luieremmer moest ook ergens anders staan. Op dat moment begon het babytje weer te huilen. Gelukkig werd ik net opgeroepen toen de vreemde vrouw spontaan met de wachtkamerstoelen begon te schuiven.

Lang zal ze leve!!

6 feb

 

Op de een of andere manier kan mijn wederhelft geen data onthouden.  Verjaardagen, betalingstermijnen en geboortedata. Goed, dat hij onze trouwdag vergeet zal me een worst wezen want die weet ik zelf ook niet. Het was ergens in juni en omdat zoon1 nu 22 is moet het zoveel jaar geleden zijn. Het was een gecamoufleerd ambtelijk en administratief moetje maar dat zijn de leukste.

Nu geef ik gelukkig weinig om obligate bossen bloemen en kadootjes. Geloof me, ik zit er niet zo mee. En in de loop der jaren merkte ik dat het een soort van sport werd om zo laat mogelijk te roepen:” Maar ik ben jarig!”.

In het begin realiseerde wederhelft zich, halverwege de avondspits, nog wel eens dat het niet zo’n doordeweekse dag bleek te zijn als hij dacht. Hij nam dan een boeket bloemen mee waarop koeiengroot stond:  ‘Van het tankstation’. Naarmate de jaren vorderden werd het een dag als alle anderen. Kan hij niks aandoen, ik moet iedere keer als hij belangrijke gegevens moet invullen met alle geboortedagen van het gezin aan komen draven anders blijkt dat hij kinderen gebaard heeft die ouder zijn dan hemzelf.

Dus ieder jaar, in de eerste week van februari  speel ik een spelletje. Ik sta ’s ochtends op maar zeg niks. (gemeen, ik weet het maar gun me die pret) Naarmate de dag vordert gaat er, ondanks een herhaaldelijk rinkelende telefoon en een volle brievenbus, geen lampje bij hem branden. Toen er twee jaar geleden, midden op de dag, een grote bos bloemen werd afgeleverd, zei hij alleen maar “Blijkbaar heb je een geheime aanbidder”.

Het blijkt een erfelijk gen te zijn. Ook de zonen hebben geen weet van wie en wanneer iemand jarig is. Zei ik tegen zoon2 dat we naar de verjaardag van OpaRob gingen, vroeg hij of we dan eieren gingen zoeken. Eén jaar geleden werd ik vijftig. Dat ging met dermate grote voorbereidingen en borrel vooraf dat zelf zij er niet onder uit konden komen.

Het jaar daarvoor echter zei ik tijdens het avondeten “Zullen we met mijn verjaardag lekker uit eten gaan?”  Luidkeels schreeuwden de mannen van Ja! Wederhelft vroeg: “Wanneer is dat ook al eens weer?” Minnetjes antwoordde ik “Gister”. U had die koppen moeten zien! Ik genoot van de schuldbewust druipende zielen. Ja, ik weet ‘t, dat is gemeen.

Tegenwoordig vragen de zonen, als op de eerste van de maand de maandagochtendsirenes afgaan, of ik jarig ben over een week. Ik verwijs hun dan stilzwijgend naar de kalender op de wc die daar tenslotte niet voor niets hangt.

U begrijpt, ik ben heel benieuwd hoe het morgen zal verlopen. Ondanks het feit dat je ouder wordt voel je je toch altijd een beetje jarig op die ene dag in het jaar. Daarom is het maar goed dat mijn vriendinnen me een taart hebben beloofd waaruit een jonge gespierde man zal springen. Taart doet me niets maar gespierde jonge mannen, daar kom ik wel mijn bed voor uit.