Archief | maart, 2015

What’s in a name?

30 mrt

 

Vroeger was het simpel. Als je als eerste jongen in een gezin geboren werd kreeg je de naam van je vader. Ging je desondanks te vroeg dood dan kreeg de volgende zoon ook weer die naam. Toendertijds bleef het niet bij twee of drie nakomelingen vandaar dat ouders hun heil zochten in, van oorsprong, bijbelse namen. Jan kwam van Johannes, Marian van Maria en Piet van Petrus. Simpel, iedereen snapte het. Ook in die dagen kon je wel een beetje een statement maken met voornamen. Zo heb ik het altijd een slinkse verzetdaad van mijn grootouders gevonden dat ze hun oorlogsbaby als derde naam Wilhelmus gaven.

Zelfs in de jaren zestig bleven aanstaande vaders en moeders zoeken in de boekjes met voornamen afgeleid van bijbelse namen. Ook mijn naam kwam daaruit en dat vond ik helemaal niks. Angelique wilde ik genoemd worden! En ik had bijna Dominique geheten! Maar  één of ander zingende non gooide roet in het eten. Mijn ouders wilden mij de associatie besparen en besloten anders. Broerlief werd naar Franciscus genoemd met een  tweede naam die traditie getrouw verwees naar  zijn vader. Ik kreeg voor de katholieke zekerheid een tweede naam met de hoofdletter M.

Tegenwoordig moeten kinderen lijden onder voornamen die moederlief uit inmiddels alweer lang vergeten Amerikaanse soapseries haalde. Altijd en tot hun dood zal dit grut hun roepnaam moeten blijven spellen omdat pa en ma origineel dachten te zijn. Ik weet zeker dat u voorbeelden genoeg heeft in uw omgeving..  Geen bijbelse of Latijnse vervoegingen. Oma’s die naar de tenaamstelling van hun eerste kleinkind worden gevraagd stamelen “Iets met een J “ of spreken de naam nou net verkeerd uit.

Ik heb mijn zonen doodgewone Hollandse namen gegeven. Ja, uit dat boekje! Variatie genoeg en nooit een juf die vier keer moet vragen hoe je dat schrijft.

Daar hadden wij het over, net tijdens het avondeten. Voornamen. Ik zei tegen zoon3 dat zijn naam van Petrus kwam en de mijne van Paulus.  “Petrus was een snitch! “ sprak hij schamper. Toen had ik door mijn absoluut niet bijbelvaste kennis een probleem. Snitch? Snitch?? Voorzichtig probeerde ik “Bedoel je niet Judas? “  Zoon3 zei “Nee, Petrus was een snitch, hij zei namelijk dat hij nooit met Jezus had gechilled “.

Dit heeft hij niet van mij, geloof me. Maar ik bedenk me dat ik hem misschien toch beter Memphis had kunnen noemen zoals hij laatst opperde.

 

 

 

 

 

The first kiss.

24 mrt

Zoon3 staat in de keuken melodramatisch uit het raam te staren. ”Niet te geloven dat het al een maand aan is met Ellen.” Ik roer onderwijl in een pan en zeg verbaasd: “Een maand?  Twee maanden geleden sliep ze hier ook al?”. “Ja, maar toen was het nog niet officieel!”.

Hier stopte mijn, waarschijnlijk hopeloos achterblijvend,  brein. Als kind van de jaren zestig met latente hippieouders ben ik echt wel wat gewend. Ook in de jaren zeventig was niks te gek. Ik kan een hoop hebben qua seksuele revolutie maar dat mijn jongste spruit nachten doorbrengt met zijn lief en dat als niet-officieel bestempelt, snapte ik niet.

Daar zijn blijkbaar geheel andere codes voor. Codes die in mijn tijd niet gelden. Want toen was het officieel vanaf de eerste zoen. Toen ik die leeftijd had was je een stel na de eerste zoen. Zoon3 hanteerde  dus andere regels.

Had ik kunnen weten. Terug gekomen van een dance-party-achtig iets meldde zoon3 trots dat hij met vier meisjes had staan zoenen. Tegenwoordig noemen ze dat ‘bekken’ maar zoon3 paste zijn taalgebruik ietwat aan. Onschuldig knipperend met zijn ogen vertelde hij mij zelfs dat hij allerlei telefoonnummers had opgeslagen maar niet de namen die er bij hoorden. Zo overweldigend was het vrouwelijk schoon geweest.

Ik keek hem aan via een gigantisch diepe generatiekloof. Grant Canyon.  Cowboys and indians. Mars and Venus. Toen ik zijn leeftijd had schreven wij briefjes op achterkanten van proefwerkblaadjes en lieten ons object d’amour zo via een ingenieus doorgeefstelsel  weten hoe wij ons voelden. Meteen duidelijk. Punt.

Later ,tijdens mijn studietijd, bestond er het fenomeen Postvak. In de gardaroberuimte was op de linkse zijwand een vakverdeling aangebracht met aan de onderkant van elk vakje een nummer. In mijn eerste studiejaar was mijn postvakje, PV, vierentwintig.

Iedere ochtend liep men, net als ik,  hoopvol naar zijn postvakje toe. Wie weet wat je allemaal kon aantreffen in je vakje? Tot de dag dat ik een zwijmelende roos uit mijn vakje zag steken.  Een rode en aan zijn steel was een gedicht geniet. Het gedicht ging over geraakt worden in zijn zonnestraal en alexis nog wattes, na vijf regels haakte ik af.

Nadat de jongeman in kwestie twee keer tevergeefs aan de deur was geweest hield hij op met zijn bezoekjes. Tegenwoordig heb je de Blocktoets. Hadden wij die toen maar gehad!

Ik zie , ik zie, wat jij niet ziet.

16 mrt

Zoon2 had vroeger de scherpste ogen van ons allemaal. Reden we langs een bosrand dan schreeuwde hij “Een hert!! “ terwijl wij alleen maar bomen zagen. Op weg naar familie zei hij plotseling: “Hè, daar stond eerst een lege fles cola op de vensterbank!” terwijl wij een flatgebouw passeerden met wel vijftig ramen.

Dus toen hij eens op vakantie riep “Daar loopt een kameleon! “  keken wij natuurlijk nieuwsgierig naar de grond en wegkant. Waar, waar, wetend dat zoon2 alle details altijd perfect zag. Maar we zagen geen kameleon. Dat kon ook wel kloppen want zoonlief bedoelde een kameel en die liep vijftig meter voor ons uit, in een reclamestoet voor het circus.

Ondanks zijn scherpe blik moest hij op een gegeven moment toch aan de bril. En toen ik tegen hem zei dat zoon3 zo’n grappig giecheltje had door zijn verkoudheid, keek hij om zich heen en vroeg ”Waar ligt dat dan? “ Net als die keer dat ik tegen hem mopperde en zei dat hij verschrikkelijk in de weg liep. Beteuterd keek hij naar beneden en zei:  “Ik zie helemaal geen weg.”

Enige vorm van drama was hem ook niet vreemd. Bij het uitstappen uit de auto na een drukke schooldag pakte zoon2 zijn school- en gymtasje. Op mijn vraag of hij wat boodschappen mee naar binnen kon nemen zei hij: “Nee, ik ben zo vol met handen.”  Die licht filosofische inslag vermoedde ik al toen hij een jaar of zes was. Op weg naar Italië overnachtten we in een hotel. Toen hij daar in een vreemd bedje lag mompelde hij “In een hotel slapen is eigenlijk ook een soort verhuizen” en hij knelde zijn knuffel wat steviger tegen hem aan.

Eenmaal weer thuis stond hij buiten toen er net een zeer grote groep ganzen overvloog. “Ja” sprak hij met zijn handje over zijn kin wrijvend als een echt Betuws boertje, “Die gaan naar de Zuid. ”

Dat dat lief ogende grut van je zo materialistisch als de pest is, is al gauw merkbaar. “Mamma, zijn we rijk?” vroeg hij eens. Ik vertelde dat we eten en drinken en kleren konden kopen en dat dat het belangrijkste was. Dus wat moesten we doen met een miljoen euro?  “Nou, gewoon, het huis een beetje opknappen.”

Hij was dan ook degene die tijdens het gesprek aan tafel over de crematie van Opa Auwoog ineens heel geïnteresseerd vroeg “Waar blijft het geld van Opa? “.  Toch nog net iets aardiger dan zoon3, die na een opmerking van mij dat Opa Rob op vakantie was naar Indonesië , zei : “Daar gaat onze erfenis.”

Blogbal 2015!!!

9 mrt

Het Blogbal 2015 was natuurlijk zeer geslaagd. Wat wil je met zo’n solide organisatie en sfeervolle locatie. Steeds meer mensen kwamen binnendruppelen en alom werd er gezoend en herkend. Er kon ter plekke gestemd worden op de Blogger Des Vaderlands en niemand deed moeilijk als je voor de derde keer een stembiljet kwam halen. Het is een begeerlijke titel, Blogger Des Vaderlands en niets dan lof voor de winnaar van 2015 @Dagtaak maar ook voor de andere finalisten en genomineerden.

Allen steken energie in verhalen en stukjes op hun blog. Zijn benieuwd naar reacties en leren van ongezouten kritieken. Maar voor alles, hebben plezier in het schrijven van hun betoog, verhaal, kritische maatschappijnoot, dichterlijke woorden en huis-, tuin- en keukenvertelsels.

Dus vrijdagavond voelden wij ons allemaal een beetje Blogger Des Vaderlands zeker na de motiverende speech van Hedy d’Ancona. Het ontaardde dan ook in een feestelijk, bruisend, rijkelijk met drank overgoten bal. Wilde bavianendansen op het podium en dansvloer, kruidig ruikende sigaretten in het rokersverdoemkamertje en de mannen vonden alle vrouwen mooi! En andersom natuurlijk.

Toen het bal na twaalven langzaam leegliep was de pret nog niet afgelopen. Eenieder die geen omgebouwde pompoen klaar had staan vertrok naar de afterparty, twee keer linksaf, The Poolhole. En aldaar kwam de ware aard van de Blogbalganger naar boven. Bier kwam niet meer per glas ter tafel maar per anderhalve liter kan, bitterballen ( voor de gelegenheid Blogballen genoemd) verdwenen in een razend tempo, @marianneCramer verloor haar zwarte hoedje in het gedruis, @poeetweet zat @kaleries achterna met een biljartkeu omdat hij dat hoedje had gepikt en @OudZeikwijf danste de tango op de biljarttafel. @bas_taart waren we al eerder kwijtgeraakt want die zocht zijn boekje, @VrouwkevanS scheurde uit haar te krappe jurkje en heur haar zat allang niet meer zoals dat van Caroline Tensen.

Het laatste dat ik me herinner was het geluid van een grote plons in de gracht maar wie er inviel weet ik nog steeds niet want op dat moment kwam net mijn taxi.

Volgend jaar weer!!!!

Blogbal 2015, Amsterdam

8 mrt

En daar gingen we weer!  Naar het Blogbal in Amsterdam. Als volleerde routiniers. Vorig jaar waren we er immers ook bij. Hotelletje gereserveerd, extra panty’s en jurkjes mee, Amsterdam, here we come! We zouden op een hotelboot vlakbij Nemo logeren. Nou weet iedere provinciaal tegenwoordig hoe je van Centraal Station naar Nemo loopt dus na een kleine omweg arriveerden wij mooi op tijd om in te checken. Na alle matrozen gezoend te hebben vertrokken wij richting centrum.

Het plan was om rustig de stad te doorkruisen op weg naar het bal en onderwijl een hapje te nuttigen in één van de vele gelegenheden. Op één of andere manier kwamen we toch in the outskirts of Amsterdam terecht en strandden bij een pizzeria die ook spare-ribs en friet serveerde. Ik hoorde de as in de urn van mijn moeder zich omdraaien. Na een multi-culti maaltijd, zelfs het personeel sprak geen Nederlands, gingen wij op weg naar het Blogbal.

Omdat wij er vorig jaar ook bij waren had niemand een adres of stadskaart meegenomen. Iedereen wist nog waar het was. Iemand wierp zich op als leider van de provinciale kudde en wij volgden in stevige tred. Na een klein uurtje klonk er gemor. “We hadden daar linksaf gemoeten” en “Ik moet plassen”.  En de sociëteit waar het Blogbal was, was nog lang niet in zicht. Na een kleine, bescheiden, muiterij nam een ander het voortouw over. Niet dat dat hielp. De meeste mensen aan wie wij de weg vroegen hadden nog nooit van Arti et Amicitiae gehoord, laat staan dat ze de weg wisten.

Nu werd ons doel de Stadsschouwburg, daar was dan wel het bal van de concurrent het Boekenbal maar vandaar uit wist minstens zestig procent zeker de weg naar het Blogbal. Na nog eens tien minuten besloten we toch maar een taxi aan te houden en ons naar de Stadsschouwburg te  laten brengen. Gelukkig zijn er meer taxi’s dan echte auto’s in die stad dus al snel propten we ons in een blinkend blik en schreeuwden “Voorwaarts, naar de stadschouwburg!!” als kolonisten apres la lettre.

De taxichauffeur keek ons vermoeid aan. “Ik wil jullie best brengen maar het is daar” en hij wees naar een groot gebouw tweehonderd meter verderop. Natuurlijk dropen wij schaamtevol af maar na enkele minuten herpakte een nieuwe leider in de groep zich en zei: “Ik herken die straat! We moeten daarin!”. Hoopvol sjokten wij mee. Maar één voor één zwikten we door onze hoge balhakjes en begonnen te klagen. We waren verdwaald!!

Toen een aantal van ons vruchteloos naar een stadsplattegrond stond te kijken zag ik Hedy d’Ancona voorbijlopen. Nou ben ik niet iemand die familiair naar Bekende Nederlanders gaat schreeuwen maar in dit geval meende ik me te herinneren dat zij een kennis van mijn vader was én, nog belangrijker, Hedy zou het Blogbal officieel openen! Daarom schalde ik “Hedy!” over de gracht waarvan wij niet eens de naam wisten.

Vrouwe d’Ancona toonde zich een ware gids toen wij smekend vroegen ons de weg naar Arti et Amicitiae te wijzen. Als kuikentjes liepen we achter haar aan! Na vijftig meter waren we er…

Je suis une mongool. ( vrij naar @Hassnae en @FrontaalNaakt)

2 mrt

Ik wilde het niet doen. Geen stukje verspillen aan nare accounts op Twitter. Er boven staan, me niks aantrekken  van die beerput spuiende prutsers. Twitter is Twitter, geen real life maar veilig beschermd achter een accountje. Psychologisch gezien hetzelfde als een eikel in een auto. Veilig in hun rijdende blik durven ze anderen The Finger te geven of agressief met hun lichten te knipperen. Buiten hun auto blijft er, qua bravoure, niks van hun over en verschuilen ze zich als een grijze muis in de grijze massa.

Dat weet ik. Dat weet ik allang. Toch werd ik afgelopen week zo giftig dat ik al die wetenschap graag in de wilgen had gehangen. Kritiek is een heikel punt. Kritiek kunnen verdragen is een gave die maar weinig mensen hebben.

Op Twitter reageerde ik van de week op iemands tweet. Ze was geblockt ( Een soort Nero met duim naar beneden) door een tweetal twitteraars. Aangezien ik geen fan van die twee was, sterker nog, ik vind het vervelende tiepjes, antwoordde ik iets in de stijl van’ maak je niet druk, wees er maar trots op.’ Dat viel niet zo lekker bij die twee.

Eén of twee pogingen tot rechtstreekse communicatie volgden maar daarna werd ik ook geblockt. Terwijl ik ze niet eens volgde want dat zei ik al, ik vind het vervelende tiepjes. Dus toen ik niet meer kon lezen wat dit zelfingenomen stel over mij schreef, gingen ze helemaal los.

Ik stonk. Naar huisvrouw met een duster die vijftien jaar niet gewassen was. Naar mest. Ik stond bij het schoolplein alleen maar over vibrators te praten. Ik was een schimmelwijf met een kutleven. En ze zouden dat stukjesmens ( ik) wel eens bewerken. En als ik mijn blog ‘Pien in de kop’ noemde omdat ik Pien heet, dan was ik toch echt een mongool. Dit zijn slechts enkele highlights. Leuk, hè, Twitter?

Ik zal niet zeggen dat ik ervan genoten heb. Het was niet leuk. Kritiek op de stukjes die ik schrijf hoor ik graag, daar leer ik van. Maar van dit gebral werd ik alleen maar misselijk. En pissig. Ik wou dit stukje niet schrijven. Heb het toch gedaan. Omdat het zo makkelijk is om een beetje normaal tegen elkaar te doen.