Archief | augustus, 2015

Dos bieros.

14 aug

Vanochtend tegen half twaalf zette ik zoon3 af op een groot, ietwat verwaarloosd parkeerterrein in Arnhem Zuid. Hij ging op vakantie. Met twaalf vrienden. In een bus. Naar Spanje. Nu heeft u beeld erbij.  Blanes was de eindbestemming, niet dat dat er toe deed. De plaats was geselecteerd op goedkoop appartement, dichtbij zee, dichtbij disco en dichtbij de supermarkt.  Cultuur, kerkjes en musea dachten ze nog effe over na.

Al weken had zoon3 voorpret als hij in de Appie stond te zwoegen voor zijn vakantiegeld. Hij vroeg aan broer2 of hij diens grote rolkoffer mocht lenen en selecteerde voor iedere gelegenheid de juiste kledij. Al gauw was die koffer tot de rand toe gevuld en toen moesten de belangrijke zaken er nog in.

Vanochtend vroeg reden we nog even langs de supermarkt om wat te eten en te drinken in te slaan. Nee, geen biertjes want dat was absoluut verboden op deze busreizen. Geruststellende gedachte ware het niet dat je op het journaal juist deze bussen in meters diepe ravijnen ziet donderen omdat de chauffeur onwel was geworden. Of dat hij wel stiekem bier had zitten drinken..

Vreselijk met zichzelf in zijn schik vertelde zoon3 op weg naar het parkeerterrein dat hij en zijn vrienden al allerlei pools hadden afgesloten. Wie er het eerst in het ziekenhuis zou belanden (alsjeblieft, niet zoon3) en wie er het eerst de hele wc pot zou onderkotsen (alsjeblieft, niet zoon3). En natuurlijk wie er het mooiste meisje zou versieren (nou, vooruit, zoon3).

Met een restje moederlijke autoriteit fronste ik en vroeg of dat nou zo leuk was. “Ja” gniffelde mijn ontaardde laatstgeworpene. Ik mompelde nog iets over de familienaam en verantwoordelijkheid maar zoon3 had al een denkbeeldige schelp van het strand tegen zijn oor en luisterde naar mooie Spaanse Sirenen die hem mee het duister in zouden sleuren.

Aangekomen op het parkeerterrein probeerde ik nog een rol wc papier in zijn hutkoffer te proppen. “Wat doe je nou?” siste zoon3 en keek schichtig om zich heen. Ik zag heel veel ouders dergelijke pogingen doen. Zakken met aardappels, EHBO-kistjes, lijstjes met belangrijke telefoonnummers en zwembandjes werden her en der in de reistassen gefrommeld. “Wedden dat er geen wc papier is in jullie appartement, als je vannacht aankomt!  Je zult me dankbaar zijn“ siste ik terug.

Als tegemoetkoming viel ik hem niet schreiend om zijn hals maar zei stoer “Fijne vakantie, jochie!” maar hij hoorde me al niet meer. Ik verheug me nu al op het openen van de zak vol met vuile was over tien dagen.

Handje klap.

9 aug

Ik ben geen commercieel talent, dat weet ik al jaren. Toch presteerde ik het om me bij voorbaat rijk te rekenen met de rommelmarkt  waar zoon3 en ik een kraampje hadden gehuurd. Al dagen van te voren schuumde ik het huis af op zoek naar spulletjes waar ik toch niks meer mee deed of die al zestien jaar op dat schapje stonden. Zoon3 mikte de inhoud van de oud speelgoedkast in wat kratten en met dollartekens in onze ogen vertrokken wij vroeg naar de zomermarkt in het naburige dorp.

Al snel kwamen wij er achter dat het Den Nederlander niet uitmaakt hoe goedkoop iets is, hij wil het altijd goedkoper. En dan praten we over vijftig, vijfentwintig cent. Zo pingelde het marktpubliek zich gestaag langs onze kraam. En ik trapte er in. Zat er een prijsstickertje van vijf euro op een gaaf email  kannetje, als iemand er drie euro voor bood was ik gretig verkocht. Tafeltjes die ik met bloed, zweet en tranen had opgeleukt en die qua manuren werk minstens vijftig euro moesten kosten gingen over de toonbank voor vijf.

De helft van de kraam had zoon3 volgepropt met constructie speelgoed, puzzels, uilen beeldjes, spelletjes, petten en mooie stenen. En een replica van een raceauto. Op schaal natuurlijk, het merk is mij ontgaan. Metallic paars glitterend, zelfs grote mannen keken er verlekkerd naar.

Er kwam een jongetje voorbij huppelen met in zijn knuistjes een rood autootje. Halverwege onze kraam verstarde hij en bleef in een huppelpas bevroren staan. Eén oog ijzig starend naar die paarse glimmachine, het andere was gericht op het net gekochte rode exemplaar.

Je zag het hele denkproces over zijn gezichtje voorbij glijden en met bewonderingswaardige zelfbeheersing stapte hij op zoon3 af. “Hoe duur is die auto?” vroeg hij. Zoon3, ook niet de beroerdste zei tegen het jochie dat die mooie paarse auto voor drie euro van hem was. ( tien jaar geleden was zoon3 net zo’n jochie en had die auto in Engeland gekocht. Voor veertig pond)

Het jongetje voelde beteuterd in zijn broekzakjes maar vond niks. Ineens kwam hij op een idee en stak zijn rode racewagentje naar voren. “Ruilen?” ( er is nog hoop voor Den Nederlander) Dat vond zoon3 toch niet zo’n goed plan. De hersentjes van het jochie werkte op volle toeren en binnen tien seconden trok hij een spurt de marktdrukte in. Wij gokten dat hij of de rode auto terug ging brengen óf moeders aan haar rokken ging trekken.

Na vijf minuten was hij terug. Met een zweterig één euro muntstuk in zijn handje. Vanavond staat het paarse racemonster vast op een mooie plek op zijn nachtkastje.

Plat praten.

4 aug

 

Eindelijk, eindelijk mocht ik dan plat Nimwéghs praten!! Vroeger mocht ik dat niet. Ik woonde in de wijk Heijendaal en vloog er dan een licht accentje of dialect doorheen dan werden mijn broertje en ik meteen opgesloten in het kolenhok. Want dat had ons huis in die upcoming wijk van Nijmegen nog wel, een authentiek kolenhok. Er zaten alleen geen kolen meer in want wij hadden uiteraard allang centrale verwarming.

Dus als mijn broertje zei “Kiek daarus! “ of ik iets te enthousiast over mijn ‘neie boks ‘ vertelde werden we richting kolenhok gedreven. ( ik overdrijf. U snapt dat hopelijk)

In de jaren daarvoor woonden wij in Neerbosch Oost. Nou, als je dan toch over broeinesten van platpraters hebt! In de eerste klas van de lagere school aldaar zat Johan. Johan kwam uit de achterbuurt al had ik geen flauw idee waar dat dan wel was. Maar hij had dat stempel en kwam er niet meer vanaf. Zeker ook niet omdat Johan de hele week dezelfde trui en broek droeg en altijd op afgetrapte schoenen liep. Daardoor verspreidde hij een ietwat knieperig, verschaald luchtje en niemand wilde naast hem zitten.  Johan zat altijd alleen. En deed je eens aardig tegen Johan dan kreeg je meteen een schop met die afgetrapte vieze schoen of een lel om je oren met een groezelig handje.

Daar hoeven wij nu geen Libelle of Margriet psychologe op los te laten. Dat snappen wij nu maar al te goed waarom onze Johan dat deed. Alleen toen als zesjarig kind niet. Dus bleef Johan het rotjochie uit de achterbuurt met altijd wel een rafel uit zijn al tien keer verherbreide wollen trui.

Maar goed, met slechts een vaag hoorbare zachte G vertrok ik uit Nijmegen om te gaan studeren. Na tientallen jaren woonde ik weer vlakbij en besloot de groep Ons Nijmegen op Facebook te gaan volgen. Ik viel met mijn neus in de kruidenboter en barbecuemeeting van deze groep!

Overal hoorde ik Johans praten, in mannelijke en vrouwelijke varianten en ik genoot! Diepgravend in mijn kolenhok memoires probeerde ik er af en toe ook een Nijmeegs woord door heen te gooien maar dat verliep nog wat stroefjes. Na een paar glazen wijn ging het al beter maar ik ga oefenen en verheug me al op de volgende meeting.

En ik ga Johan Googlen. Zul je zien dat hij leraar Nederlands geworden is.