Archief | februari, 2016

De jongste.

19 feb

Dat had ik nou nooit gedacht. Dat ik van alle drie mijn zonen bij de derde zou denken “Ga jij alsjeblieft heel snel op kamers wonen”.  Hij is de jongste en volgens kinderpsychologische statistieken het lievelingetje, het makkelijke kind, de lolbroek. Nou, dat was toen maar nu niet meer. Waarschijnlijk omdat hij vroeger teveel geknuffeld en gepamperd werd heeft meneer nu een ego van jewelste. Tijdens het avondeten, meestal het enige moment dat we hem in levende vorm mogen aanschouwen, heeft hij alleen maar kritiek op alles. Op zijn broers die sociaal gezien wat minder vlot zijn dan hij is, op de levensstijl in huis, op hinten dat hij nu toch echt moet gaan leren voor zijn examens, op alles.

Hij vindt zichzelf een man van de wereld op zijn zeventiende  en vergeet en passant dat hij ’s ochtends kan mekkeren over een wit t-shirt dat hij beslist aan moet vandaag maar dat al een week als oud vuil onder zijn bed gemoffeld ligt. En bellen vanuit een hippe kledingzaak in Arnhem. Hij mist net een tientje, of ik dat effe snel wil overmaken naar zijn rekening.

Stoere verhalen over hoe hij doet tegenover leraren op school om vooral indruk te maken op zijn broers  en zijn ouders. Zo doorzichtig. Want eigenlijk is het nog steeds ons knuffelkind. Vragen zijn grote broers zich verontrust af waar hij is om twee uur ’s nachts en leggen ze met liefde scheikunde uit, de volgende dag.

Toen zoon3 vier jaar was klampte hij zich vast aan mijn been en zei:  “Jij bent mijn vriend”. Dat ben ik nog steeds gelukkig.  Als hij zwaar in de shit zit komt hij naar mij toe om hulp. Daar zal ik hem nooit mee confronteren, ik ben een moeder. Maar dat neemt niet weg dat ik denk dat het voor de sfeer in huis inderdaad goed zou zijn dat zoon3 op kamers gaat.

Ik ben zijn vriend, ik zal altijd achter hem staan, kom aan mijn kind en ik kom aan jou.  Maar het is beter dat hij straks zijn zaakjes zelf moet regelen. Maar aan mijn been klampen en zeggen dat hij mijn vriend is mag hij blijven doen.

Foebel en zo.

15 feb

Eindelijk ging er weer eens een vrouw mee met mijn Goffert visiterende clubje. Dat juicht toch anders dan ik in mijn eentje tussen mannen verkleed als  hooligans en boe-toeters. Galant als de heren waren stonden ze de twee zitplaatsen aan ons af en gingen zelf als jonge chimpansees alvast joelend aan de dakspanten van het stadion hangen.

Ongewild was ik al weken de mascotte van de heren want iedere wedstrijd waar ik bij aanwezig was, won NEC glansrijk. U begrijpt dat deze verantwoordelijkheid steeds zwaarder op mijn schouders drukte en aangezien de wedstrijd van die avond tegen PSV was hield ik rekening met eventuele represaille maatregelen en erger. Maar toch, Feyenoord was eerder verslagen in de Bloedkuul dus je wist maar nooit. Al begrijp ik nu dat Feyenoord eigenlijk overal wordt verslagen op dit moment maar dat wist ik toen nog niet.

Isa en ik waren er klaar voor! (Helaas werd ik niet gefouilleerd, zij wel, de bofkont.) Een andere domper was natuurlijk het ontbreken van Christian Santos want die heeft toch wel een erg leuk koppie. En ja, hij schijnt er ook wel eens eentje in te schieten. Na een degelijke analyse van de wel opgestelde spelers waren we al zo’n vijftien minuten in de wedstrijd gevorderd. “Nou” zeiden we tegen elkaar “We hebben voorlopig mooie kansen gehad!” en “Die bal had er in gemoeten!!”

Tevreden bekeken wij het schouwspel en stonden op de juiste momenten op om “Oei!!!”  te schreeuwen en “Boeoeoe!!” als er een NEC-er getackeld werd. We werden even afgeleid om dat ik moest vertellen dat ik een teckel wilde maar al gauw zaten we weer in de wedstrijd. Zelfs nog eerder dan de mannen om ons heen sprongen wij uit onze kuipjes en schreeuwden “Hands!!” of “Buitenspel!”. Ja, die regel kennen wij, ja?

Even dreigde er iets fout te gaan toen ik bij een bijna doelpunt van NEC een arm naast mij vastgreep en zo hard kneep dat de bloedstoevoer stopte. Op zich nog niet zo heel erg ware het niet dat het de arm van een nors kijkende steward was. Je weet wel, zo’n man in het geel met nog net geen pistool in zijn holster. “Kalm aan, mevrouwtje” sprak hij vaderlijk en trok zijn jasje weer recht.

Maar goed, toen vielen er wat tegendoelpunten in de Goffert en werden de hoop en spanning geleidelijk aan minder. Isa en ik bleven echter volhouden en bespraken wat strategieën. Helaas hoorde Faber dit niet en eindigde de wedstrijd met 0-3. Wij kwamen tot de conclusie dat, al willen mannen ons anders doen geloven, voetbal geen hogere wiskunde is.

Daarom bieden Isa en ik ons aan om NEC naar het Europees voetbal te coachen. Doen we voor niks met wat milde secundaire arbeidsvoorwaarden zoals bruis en bubbelbaden met het team en een handtekening van Santos op onze rechterbillen.