Archief | oktober, 2016

Ontkennen.

31 okt

Iedere middag verwacht ik nog dat je de keuken binnenloopt en vraagt wat we vanavond gaan eten. Elke scooter die aankomt rijden ben jij. Ik vergeet dat je dood bent. Dus verplicht ik mezelf alle foto’s van je dode hoofd te bekijken. Je kamer in te lopen die bijna leeg is. Al je sokken en onderbroeken in de kliko te gooien. En in mijn agenda 24 september opzoeken waar zwart op wit staat ‘Pieter overleden’. En naar alle blanco bladzijdes die daarop volgden.

Ik hou de kaarsjes bij je foto dag en nacht brandend en slaap nog steeds op de bank waar ik sliep, die laatste dagen en nachten dat je thuis was. Bijna iedere dag bekijk ik de video van jouw afscheidsdienst maar het lijkt als of het om iemand anders gaat. Dat is echt niet mijn kind dat daar in die kist ligt. Kinderen gaan niet dood.

Vaak bedenk ik wat en betrap mezelf erop dat ik denk  ‘Even aan Pieter vragen.’  Eens vroeg ik je, je was een jaar of drie, of je mijn nieuwe schoenen mooi vond. “Nee” zei je. “Ze passen niet bij je koppie.” Want je was altijd heel eerlijk. Toen ik een vrolijk panterprintachtig jasje aan had, zei je “Mam, je lijkt wel een hoer.” Waarop ik vervolgens een half uur vreselijk moest lachen.

Ik ben in de kringloopwinkel, kijk in de rekken met kleding en denk ‘ Hier kan Pieter wel iets mee’ en wil het bijna in mijn mandje leggen.  Ik ben bij de uitvaartdienst van een lieve vriend en ik wil huilen maar het lukt niet. Mijn gevoel zit op slot. Stiekem ontwijk ik emotionele obstakels tot ik weer beslis dat ik pijn moet voelen.

Dus dan loop ik weer je kamer in. Pak de foto’s van je doormidden gescheurde valhelm en stop mijn neus in een oude geliefde knuffel van je. Vijf minuten, niet langer. Het blijft teveel om allemaal in één keer te kunnen voelen. Want ik mis je zo godsgruwelijk erg.

Liegen.

28 okt

Toen Pieter eens over iets had gelogen besloot hij een week daarna toch de waarheid te vertellen. Daarvoor riep hij ons bijeen in de keuken. Hij zei:  “Ik moet even met jullie praten.”  Nou, als moeder gaan dan alle alarmsignalen tegelijk heel hard rinkelen.

Terwijl wij wachtten op zijn vader flitste er allerlei onheilstijdingen door mijn hoofd. Hij was zestien dus het kon van alles zijn. Zijn vriendin was zwanger! Hij was van school gestuurd! Hij was verslaafd aan de cocaïne! Hij was lid geworden van een motorbende! (dat kan op je zestiende, hoor!) Hij had een gruwelijk grote tattoo laten zetten op zijn rug!

Toen hij vertelde waarover hij gelogen had was ik dermate opgelucht dat ik bijna moest lachen en toch nog een toekomst zag voor dit vermeende drugsverslaafde motorclub hooligannetje. Ik deed dan verder ook niet moeilijk en zei dat ik blij was dat hij toch eerlijk vertelde wat er nu precies gebeurd was. De opluchting op Pieter’s  gezicht was onbetaalbaar en zijn reactie ook.  “Ik wil wel even zeggen dat jullie fantastische ouders zijn.”

Ja, ja, toen ik daarna met hem een toepasselijke boetedoening besprak was dat gevoel wel even iets minder. Maar, héé, straffen zijn nooit leuk. En Pieter kende mij goed genoeg om te weten dat ik halverwege de vierdaagse week wel zou zeggen: “Ga de stad in! Have fun! En jat geen fietsen! “

Een maand later moest hij van bureau Halt zijn taakstraf vervullen. Een dag werken in een grote supermarkt in Nijmegen. ’s Middags wachtte ik Pieter op, benieuwd hoe de supermarkt in het kader van taakstraffen hem had uitgebuit. Moe zakte hij op zijn stoel aan de eettafel. “Mooi” dacht ik. “Ze hebben hem hard aan het werk gezet. “

Met een brede smile begon Pieter te vertellen. Hij  had die ochtend eerst de toiletten van het personeel moeten poetsen. Toen hij daarmee klaar was, na een half uurtje, mocht hij op de dweilwagen door de winkel rijden wat hij vervolgens de hele dag bleef doen.

“Ik heb nog nooit zo’n leuke dag gehad” zei hij voldaan.

Oma.

27 okt

Ik liep de kamer van mijn oma in het verzorgingstehuis binnen. Ik had haar sinds de dood van Pieter nog niet gezien.  Ze zat in haar stoel bij het raam. Daar zit ze altijd, bedenk ik me nu maar goed.  “Wie ben jij nou weer” wou ze zeggen maar toen zag ze wie ik was. En herinnerde zich wat er gebeurd was. Ze begon te huilen en we hielden elkaar vast.

In 2009 verloor ze haar vijftigjarige dochter, ik een maand geleden mijn achttienjarige zoon. De band die ik altijd al zo sterk met haar voelde werd droevigerwijs nog sterker.  Natuurlijk vloekte ze en zei dat je je kinderen niet hoort te overleven en natuurlijk zei ze dat zij tien keer liever de plek van mijn zoon had willen innemen.

Ik omarmde dat ooit sterke lijf dat nu een verfrummeld mensje in een stoel bij het raam was en voelde haar verdriet om mij. Ik keek naar haar verrimpelde gezicht en ze zei: “Dit gaat nooit meer over, Plien. Iedere dag zul je aan hem denken en verdrietig zijn.”

Ik weet het, lieverd maar als jij het kan,  kan ik het ook.

Reden van afwezigheid.

26 okt

Het huis is stil. Het huis slaapt. Jij en ik niet. Ik lig op de bank en herinner me mooie dingen over jou. Lieve briefjes die je op mijn nachtkastje legde. Tekeningen die je voor mij maakte.

Toen ik de eerste keer borstkanker  kreeg was je daar als klein mannetje veel te veel mee bezig. Je snapte het allemaal niet zo goed. Tegen de juf op de basisschool zei je dat ik “een beetje borstkanker had.” En na de operatie vroeg je aan mij of ik nog last had van mijn voorschouder.

Het huis is stil. Iedereen slaapt. Ik nog niet. Ik denk aan de tijd dat jij later naar bed ging dan ik. Vaak vond ik dan ’s ochtends briefjes  van jou aan mij op mijn nachtkastje. Of ik je een uur eerder wilde wakker maken. (Vast huiswerk wat nog niet af was). Of dat het toch weer  “aan” was met dat meisje op de lagere school en je wel wist wat ik daarvan zou vinden.  “Het is weer aan met C. en ik wens geen commentaar.”

Het huis blijft stil. Geen briefjes meer van jou op mijn nachtkastje. Nooit meer blauwe formuliertjes van school invullen met de reden van je afwezigheid. En wat heb ik je daarmee vaak gematst! Vroeg ik voor de vorm waarom je afwezig was tijdens die bewuste lessen dan keek je me aan met die scheve kop en dan wist ik wel hoe laat het was.

Net zoals je starre overtuiging dat je binnen acht minuten vanaf huis naar school kon scooteren. Aansporingen mijnerzijds werden teniet gedaan als huisvrouwengewauwel en erg zen trok je de deur achter je kont dicht op het moment dat de eerste bel al geluid had op school. Maar op één of ander manier sierde dat je.

Dit huis zal altijd stil blijven. Het staat te koop en ik hoop dat we snel kunnen verhuizen. Dit huis geeft me geen verklaring meer voor je afwezigheid. Geen enkel blauw briefje kan dit verhelpen. ‘Reden voor afwezigheid’. Ik weet het niet meer.

Foto.

25 okt

Heel even dacht ik dat ik de foto van jou, gemaakt op die zaterdagochtend in het mortuarium, kwijt was. Ik schrok want die foto betekent zo veel voor me. De politie in ons huis zei dat we niet naar de plek van het ongeluk konden gaan maar dat we je terug zouden zien in het Radboud.

We kwamen tegelijkertijd aan. Wij in colonne in de auto van mijn vader, de ene politieagent in mijn auto met je broers en de andere agent in de politiewagen. En jij. In een donkere lijkwagen.

We werden in een geforceerd sfeervolle ruimte achtergelaten. Je weet wel, met foto’s van wandvullende paardenbloempluizen en plastic rozen, vieze koffie en bakken met tissues. En uiteraard verboden te roken.  Daar zaten we. Te wachten tot we je bij je konden zijn.

De schemer vertrok en het daglicht kwam. Wij wachtten nog steeds , de vieze koffie werd viezer en ik had behoefte aan een sigaret. Later bleek dat de schouw pas begonnen was toen wij er ook net waren.

Na anderhalf uur  kwam de schouwarts binnen. Vertelde dat je was overleden door een schedelbasisfractuur van dermate grootte dat je op slag dood bent geweest. Ze had je portemonnee en mobiel bij zich. Ik moest tekenen voor ontvangst.

Stiekem hoopte ik dat iemand jouw mobiel en portemonnee had gestolen en we straks zijn dode lichaam zouden zien en dat het allemaal een verschrikkelijke vergissing zou blijken te zijn.  Dat was het niet. Ik liep de ruimte in waar je in een operatiehemdje van het ziekenhuis op een brancard lag. Ik herkende je meteen. De shampoo die ze gebruikt hadden om al dat bloed uit je haren te wassen rook niet vertrouwd maar mijn moeders neus liet me niet in de steek.

Alles rook als Pieter, alles was Pieter, alles rook naar jou. Alles voelde zoals je was. Je was nog geen drie uur dood maar je was nog zo levendig mijn kind. Ik begroef mijn gezicht in je haren, streelde je koude gezicht en probeerde het leven in je terug te blazen.

Toen nam ik die foto. Je mond staat een beetje open en er ligt toch een schaduw van pijn op je gezicht door die laatste momenten. Het idee dat je daar in Bemmel toch even alleen om die lantaarnpaal hebt gelegen doet zo verschrikkelijk pijn. Heel mijn hart huilt omdat je in je eentje bent doodgegaan.

 

Pijn.

24 okt

Dat je hart dus echt kan branden van de pijn. Heel soms laat ik al het verdriet tegelijk los door expres op pijnlijke punten te drukken. Dat mijn man zei “Je moet naar beneden komen, de politie is er. Pieter is dood.”  Suffig van de slaap dacht ik eerst bij de woorden ‘De politie is er’  dat ik de lampen van mijn auto aan had laten staan. Dat was niet zo.

Als ik die zin “Pieter is dood.”  herhaal in mijn gedachten met die unheimische sfeer die vanaf dat moment heerste dan voel ik een pijn die niet meer alleen geestelijk is. Een schrijnend, brandend, verwoestend gevoel in mijn borstkas. Snel sluit ik dit deurtje naar deze gedachten. Het is teveel, dat lukt me nog niet.

Een  leuk uitje met vrienden naar de voetbalwedstrijd afgelopen zondag bleek een vergissing. Zo ontzettend veel mensen, harde muziek, geschreeuw en lawaai. Mijn oren begonnen te suizen, het koude zweet brak me uit en na drie kwartier zwaar hyperventileren gaf ik het op. Ik droop af naar de auto waar ik bleef wachten tot de wedstrijd was afgelopen.

Ik dacht zo maar het gewone leven weer op te kunnen pakken maar kwam er achter dat dat nog wel even zal duren. Dus zit ik hier weer in de opkamer waar zoveel gebeurde en waar de tijd stil staat.

Het is vandaag precies een maand geleden dat Pieter overleed. Eén maand. Voor mijn gevoel ben ik pas vijf minuten bezig om het te begrijpen. Alhoewel, begrijpen zal ik dit misschien nooit. Vijf minuten bezig met het proberen te beseffen, dat is meer zoals ik het voel. Hij komt godverdomme nooit meer thuis. En ik ook niet meer.

Een heel klein stukkie..

23 okt

Ik wou een stukje schrijven over Pieter. Ik keek naar de video van zijn dienst. Op het einde pakte mijn vader de deksel en sloot de kist. Toen wist ik niets meer te schrijven.

Kind.

21 okt

Kind, lief kind.  Ik heb je stem nu al zo lang niet meer  gehoord. Vertel me je verhalen zoals je altijd deed. Vertel me over je avond, vertel me wat je meemaakte. Vertel me over het plezier met je lachend gezicht erbij. Vertel me over het oneindige leven van jochies van achttien.

Vertel me dat je leeft. Dat je plezier hebt en dat je vanavond thuiskomt.

Ik zal niet mopperen omdat je zo laat bent. Ik zal niet mopperen over de troep in je kamer. Ik zal het hok van je konijn met liefde verschonen. Ik zal nooit meer mopperen als je maar thuiskomt.

Ik zal niet mopperen als je pas na vijf keer schreeuwen naar beneden komt om aan tafel te eten met ons vijven. Ik zal niet mopperen, nooit meer. Als je maar bij me bent.

Met liefde koop ik het meest gore fast food voedsel voor je voordat je aan je avondbaantje begint en dan krijg je nog een biertje erbij van mij, als je maar tegen me praat. Ik mis je stem, ik mis je alles.

Kind, lief kind. Ik kan niet zonder je.  Alsjeblieft, help me.

 

As.

20 okt

Pieter is nog niet helemaal weg. Van het crematorium kreeg ik een nette brief waar in stond dat we, één maand na de crematie, zijn as konden ophalen. En vervolgens twee A-viertjes met allerlei mogelijkheden die het crematorium had. Met prijslijst uiteraard.

Na de ontvangst van deze brief begon ik na te denken over wat we zouden kunnen doen met de as van Pieter. Vrij snel dacht ik aan een mooie plek die onlosmakelijk verbonden zou zijn met hem. De tuin en boomgaard waar hij bijna zijn hele leven gespeeld en later gefeest had zou logisch zijn. Ware het niet dat ons huis te koop staat en ik er niets in zag om over een paar jaar aan de nieuwe bewoners te vragen of ik even een uurtje onder de oude perelaar mocht zitten om mijn zoon te herdenken.

Dus piekerde ik verder. Waar was Pieter nou het liefst? Tja, in de kroegen en disco’s van Arnhem, Nijmegen, Bemmel en heel Gelderland eigenlijk. Maar om nou al die plekken af te gaan met een wijde cape om en dan stiekem overal wat as van hem verstrooien? Nee. Ik ben er dus nog niet uit maar dat is geen punt. Eerst Pieter wederom naar huis halen en dan zien we wel.

Met een paar mensen hebben we die woensdagmiddag Pieter naar de oven gebracht. Klinkt rauw, was het ook want we kwamen in een soort fabrieksachtige ruimte terecht waar geen bloemen stonden of gepast behang hing. Het personeel begon ons in een verhit staccato uit te leggen waar ze mee bezig waren en wat er ging gebeuren. Pieter’s  kist kreeg een kenmerk mee dat in de as kon worden teruggevonden zodat we later zeker wisten dat we Pieter in die disco zouden verstrooien en niet een oud dametje van 89.

Nu was ik al vaker tot op het laatste moment bij crematies aanwezig geweest en vaak werd er dan een discreet gordijntje opzij geschoven of een deurtje met daar ver achter weer een deurtje. In plaats daarvan werd er nu met luid geratel een metalen luik omhoog getakeld. De hitte die vrij kwam verschroeide mijn wenkbrauwen en ik stapte achteruit. Niet ver genoeg om te missen hoe de kist met mijn zoon langzaam de zinderend roodgloeiende ruimte werd in geschoven. Toen ratelde het luik weer naar beneden.

Scenario.

19 okt

Er is geen scenario voor het  overlijden van je kind. In onschuldige, gelukkigere momenten probeer je je wel eens voor te stellen hoe dat zou voelen, hoe dat zou moeten.  Als er een ziekenwagen met loeiende sirenes voorbij scheurt is het eerste dat je je afvraagt als moeder  ‘Waar zijn mijn zonen op dit moment?’  En je bent opgelucht als geen van drie zich in de richting van de ambulance bevindt.

Als je staat te koken en er is één zoon nog steeds niet thuis dan fluistert er een geniepige klootzakkerige duivel in je oor:  “Stel je voor dat zo direct de politie aanbelt.”  Je bent er van overtuigd dat je dan nooit meer het gerecht  zal kunnen eten dat je nu aan het maken bent. Je twijfelt er geen seconde aan dat je de jurk, die je op dat moment draagt, nooit meer aan zal doen.

Toen Floris een paar jaar geleden op zijn scooter werd aangereden, belde hij zelf. Dat maakte voor het gierende gevoel in mijn keel niks uit. Ik smeet het strijkijzer op de plank en sprong in de auto zonder te vragen waar hij was.

Wouter bracht het wat anders. “Mam, er is hier een ongeluk gebeurd.” Waarop ik zei “Nou, niet blijven kijken, kom maar snel naar huis.” Bleek het om hem zelf te gaan. Ik vermoed dat hij het voorzichtig wilde brengen aan mijn immer angstig moederhart.

En Pieter? Pieter reed vorig jaar zomer tegen een muurtje aan maar kwam gewoon vreselijk zen midden in de nacht naar huis lopen met zijn half aan barrels gereden scooter.

Dus je bent wel wat gewend. Denk je. Maar er is geen scenario en als moeder blijf je toch enge dromen hebben. Dat ik wakker schoot uit zo’n nachtmerrie waarin Wouter een ongeluk had gehad en belde:  “Er is zoveel bloed, mam, zoveel bloed.”

Er is geen scenario. Ik stond niet te koken toen de politie om kwart over vijf die zaterdagochtend aanbelde. En ik had geen jurk aan. Wel een nachthemd en ik weet niet meer welk. Ook weet ik niet meer wat we aten op vrijdagavond, de laatste maaltijd met ons vijven. Ik weet niet meer wat ik allemaal gezegd heb en gedacht. Ik weet alleen nog dat ik mijn vader wilde bellen en niet meer wist hoe mijn mobiel werkte.

Er was geen scenario. Er was alleen “zoveel bloed, mam, zoveel bloed.”