Archief | november, 2016

Kapot.

7 nov

Iemand zei tegen me “Je leek net een leeuwinnenmoeder daar voor in de auto van de uitvaartonderneming. Tot op het laatst bij haar kind willen blijven en willen blijven beschermen.” Ja, tot het laatst en ook tot het echte laatst waar ik niet bij was. Je bent doodgegaan toen ik gewoon in mijn bed lag te slapen. Ik was er niet bij en dat voelt verkeerd.

Ik speur Internet af naar nog meer beelden van je ongeluk, naar nog meer getuigenverklaringen. Ik wil precies weten wat er gebeurd is. Wil tot in de details weten hoe je erbij lag, wat er allemaal kapot was aan je.

Raar? Nee. Ik heb je gemaakt en heb recht om te weten hoe je stuk bent gegaan. Ik moest je aankleden die zondagochtend en voelde hoe anders je lijf voelde. Je voeten en enkels waren eng beweeglijk en kraakten. Je benen ingepakt in strak verband.

Je ribben waren opengeknipt om bij je hart te komen. Andere mensen zouden geholpen kunnen worden met jouw hartkleppen. Je sleutelbeenderen waren half verwijderd om botweefsel af te kunnen staan. Gelukkig zat je hele bovenlichaam strak en vast ingetaped en zat het vast ook wel goed met je opgekweekte sixpack waar je zo trots op was.

Toen we je na vier dagen van de diepvriesbaar naar je kist droegen viel je hoofd in een rare knik opzij en kon ik nog net op tijd mijn hand onder je koppie steken. Je paste maar net in de kist, we moesten even proppen om je voeten niet boven de rand uit te laten steken. Het gevolg was dat je er een beetje uitzag alsof je net de moonwalk van Michael Jackson deed.

De kracht waarmee je tegen die lantaarnpaal bent gevlogen was genoeg om de hele linkerkant van je schedel te verbrijzelen. In stukjes. En ik heb ze gevoeld, die stukjes. Een 3-D puzzel die niet opgelost kon worden.

Toen je als baby je eerste prikje kreeg in het ziekenhuis voelde ik die prik alsof ik hem zelf kreeg. En dat bleef zo. Zag ik dat je gigantisch onderuit zou gaan op je fietsje zonder zijwieltjes dan voelde ik die geschaafde knie al voor dat jij hem voelde. Raar hè?  Maar zo werken moederharten.

Dit moederhart stond naast jouw verkreukelde en kapotte lijf. Dit moederhart mocht blij wezen dat de schade eigenlijk alleen inwendig was en dat je er nog steeds zo mooi uitzag als op de dag dat je geboren werd.

Ik wilde de watjes uit je oren halen waarop de schouwarts verschrikt riep dat ik die beter kon laten zitten. Toen realiseerde ik me dat je doodgebloed bent via je oren. Die pijn was te erg om te voelen met mijn verloren moederhart.

Niks.

6 nov

Niks zal ooit meer hetzelfde zijn. Niks komt ooit weer goed. Dat kunnen ze wel zeggen maar dat is niet zo. Jij bent er niet meer. Je komt nooit meer terug en dat dringt door in alles wat ik doe.  Maar ik leef verder. Doe dingen, probeer lol te hebben. Het afgelopen weekend veel beleefd en gedaan. Bij alles wat ik deed was jouw afwezigheid aanwezig.

Ik was op je school om wat laatste werkstukken van je op te halen. Sprak met de afdelingsleider over jou en je vrienden en hoe ontroerend mooi de bijdragen en reacties van je leeftijdsgenoten waren op jouw overlijden. En over de afschuw van dat incident op je school diezelfde morgen, een leerling had een leerkracht neergestoken.  Hoe tegenstrijdig dat was met de liefde en saamhorigheid vlak na je dood.

’s Avonds stond ik te dansen tijdens een concert van Level 42. Ik wist zeker dat je de basgitaarpartij echt gaaf had gevonden. Op zaterdag reed ik naar Oostzaan, zo’n anderhalf uur met de auto. Ik ben geen globetrotter, vind twintig kilometer ver genoeg van huis. Toch stapte ik in de auto. En de heenweg was een ramp.

Anderhalf uur hyperventileren, zweten en denken ‘ bij de volgende afslag keer ik om ‘. Ik heb het volgehouden. In Oostzaan spullen voor een prikkie ingeladen en relaxed teruggereden naar huis. Die avond in de herkansing voor een voetbalwedstrijd in de Goffert. Omringd door vijf mannen kon ik de wedstrijd helemaal uitzitten zonder paniektoestanden, zelfs niet toen ‘we’ achterstonden. Op de afterparty daarna lekkere muziek zitten luisteren en gezellig kletsen.

Zondagmiddag was ik moe. Op. Ik kwam thuis en droop af naar de opkamer. Waar jouw aanwezigheid nog steeds het sterkst is. En waar ik trots op mezelf was omdat ik dingen had gedaan. Geprobeerd had normaal te leven ook al zal mijn leven nooit meer normaal zijn.  En waar ik voor de zoveelste keer de video van jouw afscheid bekeek. En huilde om de mensen die om jou huilden.

Uittreksels.

3 nov

Vandaag het uittreksel uit de Basisregistratie Personen opgehaald in het gemeentehuis. Nou, opgehaald, wel elf euro er voor moeten betalen. Ik was meteen aan de beurt dus het ietwat overbodige volgnummertje frommelde ik in het daarvoor bestemde mandje op de balie.

Er zat een vrolijke meneer met een twinkel in zijn ogen klaar om mij met van alles te helpen. Nou hou ik van meneren met twinkels in hun ogen en meestal krijg ik die dan ook. De twinkels, niet de meneren natuurlijk.

“Waarmee mag ik u helpen?” vroeg hij met die twinkel. “Ik wil graag een uittreksel uit de…” en toen moest ik even op mijn briefje kijken want ik wilde iedere keer de Burgerlijke Stand zeggen. Vriendelijk vroeg hij mij om een legitimatiebewijs. Ik viste mijn rijbewijs uit mijn portemonnee want dat is het enige legitimatiebewijs dat ik heb. Ik rij, dus ik ben.

Vrolijk tikte de twinkel allerlei belangrijke gegevens op het gemeentelijke laptopje en op dat moment zei ik dat het niet om een uittreksel over mij  ging. Dat had ik niet hoeven zeggen want tegelijkertijd maakte de twinkel in de ogen van de gemeentemeneer een knieval toen het scherm alle gegevens van mij en mijn geliefden liet zien.

Pieter, zoon van Paulien Manon Burgersdijk. Geboortedatum en daarachter die onverwachte, niet realistische sterfdatum. “Het betreft mijn zoon Pieter” zei ik dus overbodig. “Hij is er niet meer en ik heb een schriftelijk bewijs nodig dat hij mijn zoon is.”

De onttwinkelde ogen van de ambtenaar keken me aan en hij vroeg waarvoor ik precies dat bewijs nodig had. Nu is Pieter al éénenveertig dagen dood. Soms kan ik dit hardop uitspreken. Soms ook niet. En soms maak ik snoeiharde grappen er over. Ik zei dat ik dit bewijs nodig had om zijn bankzaken te kunnen afhandelen. Sinds zijn achttiende was mijn veto en handtekening niet meer nodig om hem te behoeden voor allerlei bizarre aankopen. Scheelde net twee maandjes.

“Oh, dus het is voor de bank?” zei de meelevende gemeentemeneer zachtjes. “Precies” zei ik. “Ik krijg namelijk nog honderd euro van hem.” En dat is nog waar ook.

Hoe gaat het?

2 nov

Mensen vragen me hoe het met me gaat. Ik weet dat niet en meestal zeg ik dat dan maar. Gaat het goed? Nee, niet echt. Gaat het slecht? Nou, dat nou ook weer niet. Alles gaat gewoon door en ik rol onwillig maar toch mee. Wat ik wel weet is dat het leven een stuk leger voelt. Er mist wat. Er doet ergens iets zeer.

Niet dat ik geen plezier meer heb in dingen maar er is altijd dat schrijnende gevoel in mijn borst. Bij alles wat ik meemaak en doe is de dood van Pieter onlosmakelijk verbonden. Een nachtmerrieachtig achtergrondmuziekje. Muzak in de lift naar de verdrietige hoogste etage.

Natuurlijk zijn er leuke momenten en kan ik met mijn zonen praten en lachen maar soms schrik ik van de eenvoud waarmee dat gaat. Waarom kijken zij eigenlijk niet wat treuriger? Waarom hebben we het niet over Pieter? Hoe kan het zijn dat zij de draad zo snel weer opgepakt hebben terwijl ik als een neuroot iedere vijf uur de waxinelichtjes vernieuw en continue mijn tanden knarsend op elkaar hou?

Ik weet ‘t, ik weet ‘t,  iedereen rouwt en treurt op zijn eigen manier. Waarschijnlijk zijn er best mensen die mijn manier van rouwen ook niet begrijpen.  Ik knars tand, doe de dag en verlang naar het moment dat het licht uitgaat en ik naar de fonkelende kaarslichtjes kan kijken.

En de pijn toelaat. Stapje voor stapje. En daar dan snel weer mee ophoud. Te veel, te groot, te onvoorstelbaar.

Tarzan.

1 nov

Pieter was al vroeg een relativerend menslievend kind. Toen ik in de auto eens een medeweggebruiker uitschold voor ‘stomme lul’  zei driejarige Pieter  “Mam, dat is geen lul, dat is een  mens.”

Hij bleek ook een ster in het verzinnen van nieuwe woorden. In groep 1 bedacht hij dat cijfers eigenlijk rekenletters waren en toen hij zijn enkel had bezeerd zei hij dat hij pijn aan zijn achillespenis had. Over penissen gesproken, eens had hij een zwemfeestje van naamgenoot Pieter. Na afloop kwam hij het omkleedhok uit rennen en riep: “Mam, de vader van Pieter heeft een hele grote piemel! Heb je die wel eens gezien?”  Tot mijn spijt niet, nee.

Anatomie bleef mysteries.  Toen hij een keer bij mij op schoot zat en in mijn borsten kneep zei hij: “Zo, jij hebt grote botten!” En na het spelen met een spiegel vroeg hij zich de rest van de dag af waarom het zo donker was in zijn neus. Door het hoesten had Pieter een schattig hees stemmetje. Ik vroeg  vertederd  “Heb je een nieuw stemmetje gekocht in de winkel?”  Waarop Pieter antwoordde “Nee, sukkel, dat komt door de verkoudheid!” Net 4 jaar, om u een idee te geven.

Op zijn vierde verjaardag kreeg hij zo’n grote skelter waar alle boerenkinderen in de omgeving op rond reden en hij was er erg blij mee. ’s Avonds in bed zei hij ” Mijn voornaam is Pieter. Mijn achternaam is Verhoeven. En mijn zijnaam is Skelterman!”

Na het kijken van de Disneyfilm Tarzan besloot hij dat Tarzan ook maar een gewoon mens was maar dan met een gescheurd onderbroekje aan. Had hij op de kleuterschool een mooi liedje geleerd over de herfst. Hij zong het voor mij. “Herfst, herfst is gekomen! De wind waait de blaadjes van de bomen!”  Ik reageerde erg enthousiast waardoor Pieter ter plekke verzon dat hij er ook één over de winter had geleerd. “Winter, winter is gekomen! De bomen waaien om, ga snel naar binnen!”

Toen de mannen hun spaarpotten hadden geplunderd en kwijlend met hun nieuwe Lego dozen in de auto zaten schrok Pieter. Want op zijn doos stond voor acht jaar en ouder. En hij was pas zes! Wouter zei geruststellend  “Geeft niks. Jij bent ook hoogbegaafd en dan mag je er twee jaar bij optellen.”  Maar dat wisten we al dat Pieter een slim ventje was. Toen hij vier jaar was kwam hij enthousiast de trap afrennen en riep “Mam, twee keer vijf is tien! Dat weet ik! ”  Toch een Nobelprijs in de familie dacht ik. “En hoeveel is dan één keer vijf?” vroeg ik. “Ja dát weet ik niet.” zei Pieter.