Archief | december, 2016

Nog één keer.

31 dec

Oudjaarsavond. Ik heb geen goede voornemens. Ik wens helemaal niks. Alleen maar je nog één keer kunnen omarmen. Nog één keer je vuile was verzamelen. Nog één keer je lievelingseten voor je maken. Nog  één keer een absentiebriefje voor je invullen. Nog één keer je op zondagochtend oppikken uit een dorp in de buurt.

Nog één keer leuke kleren voor je vinden bij de Kringloop. Nog één keer snel je favoriete t-shirt wassen en strijken voor die avond. Nog één keer op je deur bonken omdat je de wekker  niet gehoord had. Nog één keer je onder tafel een trap geven als je weer eens tekeer ging tegen je broers. Nog één keer tranen van het lachen hebben om je verhalen en beschrijvingen van mensen.

Nog één keer je pesten met je kapsel en het grootverbruik van gel. Nog één keer wiskunde met je repeteren en doen alsof ik het wel allemaal snap. Nog één keer voor de vijfde keer naar boven schreeuwen dat je eten koud wordt. Nog één keer speciaal voor jou naar de Action rijden om je favoriete deodorant te kopen.

Nog één keer een bord extra dekken als een vriendin van je onverwachts mee zou eten. Nog één keer een telefoontje van je mentor op school krijgen. Nog één keer samen naar Antwerpen naar het modellenbureau. Nog één keer je scooter horen aankomen. Nog één keer je Appie-jasje snel naar je werk brengen omdat je dat weer eens vergeten was.

Nog één keer samen aan de keukentafel brainstormen over een ontwerp van je. Nog één keer een boekverslag voor je Nederlandse boekenlijst schrijven. Nog één keer samen winkelen in Nijmegen. Nog één keer je rug dekken als je weer eens iets had uitgehaald. Nog één keer een tientje in je hand frummelen.

Nog één keer samen naar muziek luisteren. Nog één keer een pakje sigaretten in je jaszak verstoppen.  Nog één keer je getier horen als we het niet met elkaar eens waren. Nog één keer een SMS-je naar je sturen. Nog één keer ongerust zijn vrijdag ’s nachts omdat je nog niet thuis was. Nog één keer vloeken omdat je je afspraak niet nakwam. Nog één keer genieten van de pret die je in het leven had. Nog één keer je een zoen op je hoofd geven.

Ik wens helemaal niets voor 2017. Behalve dit. Maar ik weet dat dit teveel is.

Nest.

28 dec

Kerst 2016 is gelukkig voorbij. Nu ben ik niet zo’n feestdagen tiepje. Ook op andere dagen is het leuk om met familie of vrienden rond een rijkgevulde dis te zitten. Maar Kerst heeft nu eenmaal die reputatie en is beladen in elk woord. Bij alle twee de kerstdiners kwam Pieter natuurlijk ter sprake. En bij alle twee de diners werd er gehuild.

Godver, wat een klotezooi. Iedereen miste je. Ik beet op mijn wang en wilde het liefst de garnalen tegen de muur aan kwakken. En ik wilde weg, terug naar mijn veilige haven thuis, naar de kamer waar Pieter lag. De deur dicht doen. Daar waar ik me het dichtst bij hem voel ook al kan dat helemaal niet.

En eindelijk thuis op Tweede Kerstdag, moe en huilerig, plaatste ik een bericht op FaceBook dat ik het wel effe gehad had. Op, moe, depressief en verdwaald. Waarop ik allerlei, tuurlijk goedbedoelde, reacties kreeg. “Je hebt zoveel om voor te leven”, “Zoek hulp”, “Denk aan je andere zonen”, “Ga niet naar situaties waar wijn gedronken wordt”, “Ga op vakantie”  en “Stap uit deze neerwaartse spiraal”.

Jongens, het is pas drie maanden geleden dat Pieter dood ging. Wat verwachten jullie dan? Ik ben pas bij stapje twee van het verwerken en accepteren, jullie zijn al drie maanden verder.

Ik weet het, dit is niet aardig van me om te zeggen zeker omdat jullie het allemaal zo lief bedoelen en serieus behept zijn met mijn lot.

Maar ik red me wel. Alleen is het af en toe donker in mijn hoofd, mis ik mijn kind zo gruwelijk dat het van mij donker mag blijven. De volgende dag is dat weer over. Maar gun me die hopeloze uitlatingen die ik gratis bij de liters tranen die ik huil om Pieter krijg. En ik ben best wel dramatisch op zijn tijd, dat weten jullie toch?

Het drijfzand van verdriet waar ik tot mijn middel in sta, is taai. Besluipt je onverwachts van achteren, haakt je pootje en laat je naar je veilige nest toe worstelen. Het veilige nest van toen en ooit. Ik ben begonnen met de verbouwing van mijn veilige nest. Maar dat duurt effe.

 

 

 

zestig seconden.

24 dec

Ik dacht : “Dit doen we effe”.  Ik dacht : “Ik heb niks speciaals met Kerst”. Vandaag zet ik sinds precies drie maanden geleden nog maar vier borden op tafel. En zo begon ik aan een prettige familie kerstborrel. Leuke gesprekken, natuurlijk ook over Pieter maar vrolijk en warm.

Maar toen gingen we eten.  We schoven aan aan tafel waar niet zichtbaar maar wel voelbaar een bord miste. Ineens. Boem. Ik dacht daar even over na maar slikte dat pijnlijke stukje verdriet snel door.

Toen we allemaal zaten zei mijn vader: “We zijn niet katholiek, we zijn niet protestants, we bidden niet voor het eten maar toch wil ik graag een minuut stilte voor Pieter.” En iedereen was stil met Pieter in hun hoofd. Mijn hart brak, alles deed zeer door de heimwee naar mijn kind en ik voelde me bijna schuldig omdat mijn kind dit verdriet bij mijn vader veroorzaakte.

Een minuut die nog nooit zo lang voelde. Een minuut met alle pijn die je maar kan voorstellen in zestig seconden gepropt. Zestig seconden waarin ik besefte dat die plek aan tafel voor altijd leeg zal blijven. En zestig seconden waarin ik het nog steeds niet geloof. Het is echt niet waar.

Toch wel, Pien. Hij is echt voorgoed weg. Nooit meer. Nooit. Ik deed na die minuut mijn ogen open en zag het verdriet in de ogen van iedereen die er was. Toch hebben we er een mooie avond van gemaakt. Goed, ik geef toe dat Pieter met zijn sterke verhalen een boel had kunnen bijdragen maar ik denk dat we die verhalen wel hoorden in ons hoofd.

Een mijlpaal dus. De eerste Kerst zonder Pieter. De traditionele foto van de hele familie genomen met de zelfontspanner hebben we overgeslagen dit jaar. We hebben geen foto nodig om ons te laten herinneren dat Pieter er niet meer bij is.

Kaarslichtje.

22 dec

Als ik ’s avonds tegen je praat, is het nooit te laat. Je antwoordt met flakkerend kaarslicht en ik denk je stem erbij. Soms praten we om één uur ’s nachts, dan weer eens tegen drieën  en vaak rond kwart over vier.

Ik weet echt wel dat er in dit oude huis genoeg gaten en kieren zitten om de kaarsjes bij je foto te laten flakkeren maar laat me maar effe. Ik heb niks anders meer dan dat. Een manier om toch nog een beetje bij je te zijn. Ik hou me er stiekem een beetje aan vast. Jij vertelt en ik luister. Ik vertel en jij flakkert.

We hebben het over kleine dingen, over wat ik deed die dag. Jij vertelt over de nieuwe kleren die je kocht. Ik zeg dat we je favoriete avondmaal hadden die avond en jij pakt een bord om nog wat op te warmen in de magnetron. En dan zeg je “Ik ben weg, mam.” En scheurt op je scootertje naar je vrienden. Maar niet echt want na zestig seconden vraag je of je lievelingsbroek al gewassen is.

En zo praat ik de nacht vol met je. Praten tot dat ik moe word en met mijn rug naar je foto en kaarslicht ga liggen om te slapen. Even niet meer praten. Want dat moet soms. Ik zeg te veel, te vaak dezelfde zinnen tegen mensen, de afgelopen maanden. Het is een soort toneelstukje geworden waarbij ik geen souffleur nodig heb. Ik spuug mijn standaardregels en antwoorden er uit op de automatische piloot.

De laatste dagen sta ik ’s nachts niet meer op als de waxinelichtjes opgebrand zijn om nieuwe aan te steken. Ik word nog wel wakker op het moment dat de laatste uitgaat. Maar dan zeg ik “Slaap lekker, Pieter, tot morgen.”

Nooit meer.

19 dec

Dit zal nooit wennen. Altijd wakker worden met het gevoel dat er iets vreselijk mis is. Iedere keer schrikken als ik je foto zie of iets van je terug vind. Een achteloos tekeningetje in een kladblok. Groene plastic kogeltjes uit één of ander raar pistool uit Spanje meegesmokkeld. Iemand die je naam noemt. Je knuffelbeest onder mijn kussen.

Ik begin op te raken, lief kind. Ben zo moe van het vechten tegen mijn verdriet. Kleine dingen schoppen me uit mijn evenwicht, ik loop tandenknarsend door maar haal het eindpunt niet zonder in koud zweet uit te breken en met de hartslag van een galopperend paard.

Ik verruw, ik verhard en snap niet meer waarom mensen zich druk maken over futiliteiten. Ik word egoïstisch met mijn wereld die voorlopig alleen maar om jou draait. Ik ben moe. Ik mis je en weet dat dat altijd zo zal blijven. En daarom ben ik boos en maak mezelf nog meer moe.

Dit komt nooit meer goed. Nooit meer en de oneindigheid in die zin slaat me rechtstreeks in mijn gezicht zodat ik duizelig word. Slaat in mijn buik zodat ik mezelf helemaal leegschijt op de wc. Slaat me tegen mijn benen zodat ik door mijn knieën zak en alleen nog maar probeer te huilen.

Maar hier thuis hebben ze honger. Hier thuis wordt gevloekt als er sokken kwijt zijn. En ik probeer een verloren sok te koppelen aan jouw afwezigheid. Waarom is een sok belangrijk? Wat is een sok?  Ik weet het antwoord niet. Ik wil het ook niet weten.

Per ongeluk vallen er verborgen tranen op mijn schrijfblok. Ik mis je zo verschrikkelijk erg. Ik ben even helemaal niks. Een kapot gescheurd papiertje. Een niets zonder jou. Nooit meer je stem horen. Nooit meer stoere verhalen aan tafel waar we allemaal zo om moesten lachen. Nooit meer samen naar Nijmegen om te winkelen. Alles nooit meer. Nooit meer iets. Nooit is nog nooit zo nooit geweest.

Weg.

15 dec

Toen Marian, de dochter van mijn oma, overleed zei mijn oma iedere keer “Hoe kan dat nou? Dat ze ineens zo maar weg is? Dat ze er niet meer is? “ Ik meende haar te begrijpen, haar gemis te voelen, de onverklaarbare leegte te snappen. Ik had niet fouter kunnen zitten. De zin “Hoe kan ze er nou gewoon niet meer zijn? “ hamert dagelijks door mijn hoofd.

Hoe is het toch mogelijk dat Pieter er niet meer is? Er nooit meer zal zijn? Mijn kind van vlees en bloed. Hij hoort hier, niet ergens anders waar ik niet kan zijn. Nu heb ik niets meer en voel me zo incompleet. Nooit meer vijf, voor altijd een lege stoel aan tafel.

Dat bijt, dat doet zeer en dat vermorzelt. Ik ben niet meer compleet, ik ben een moederdier dat een jong heeft verloren. Ik verdwaal in de zoektocht naar mijn kind. Waar is hij? Soms ruik ik hem en maken herinneringen me blij. Zorgen er voor dat hij iets dichterbij lijkt.

Ik zie plekken in huis waar dingen van hem gelegen zouden hebben. Ik vind dingen die ik anders kwijt was geweest. Iedere keer dat ik mijn naaimachine aanzet denk ik aan Pieter. Aan jou. En ik mis je zo verschrikkelijk. Hoe kun je nou toch zo maar ineens helemaal weg zijn?

Ik zou beter moeten weten. Je eerste drie nachten van je leven lag je in het ziekenhuis in een plastic bakje naast mijn bed. De laatste drie nachten dat je nog hier was, lag ik naast je dode lichaam. Verkrampte mijn hele binnenste van verdriet, kon ik niet eens huilen en beet mijn wangen aan flarden.

Toch zoek ik nog steeds bevestiging. Dat je er echt niet meer bent. Ik heb gezien hoe de kist waarin je lag de oven werd ingeschoven, voelde de onherstelbare hitte in mijn gezicht. Ik kon me een voorstelling maken van wat er met jou in die oven gebeurde. Klinisch. Praktisch. Realistisch. Maar toch snap ik nog steeds niet waar je gebleven bent.

Stil.

14 dec

Het liefst zou ik mijn overgebleven zonen thuis houden. Veilig in hun kamers waar niks kan gebeuren. Want ik weet nu dat het bestaat, dat een kind dood kan gaan. De mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest. Nou, neem maar van mij aan dat dit niet klopt. Het vrezen staat niet in verhouding met dat wat je voelt als het werkelijk gebeurt.

Vanochtend staarde ik uit het raam, toevallig was het ook nog eens weer om niet vrolijk van te worden, en ik evalueerde een beetje met mezelf. Pieter is al bijna drie maanden dood. Die zin in mijn hoofd is tegenwoordig al genoeg om me te laten huilen en niet verder te willen denken. Maar dat moet ik nu van mijzelf.

Doordenken, door laten klinken, door laten dringen. Ik ga namelijk niet door terwijl dat wel zou moeten. De afgelopen maanden hebben zich samengepropt in één gierend, oorsuizend momentje van nog geen half uurtje. Het voelt alsof mijn leven, mijn bewustzijn in een loop zit, een pauze, een stilstand.

Mijn gevoel hield op op het moment dat er gezegd werd “Pieter is dood.” Ik ben nog steeds bezig met die drie woorden. Er klopt gewoon iets niet aan die zin. Er moet een foutje gemaakt zijn. Die jongen die daar ligt in zijn kist met zijn broers en vrienden om hem heen is niet mijn zoon.

Zonen gaan niet dood. Al die kaarten en brieven zijn verkeerd bezorgd. Dat gaat niet over mijn kind. Dat kruisje achter zijn naam op het overlijdensbericht van mijn oma is een drukfout. Die man die probeert grappig te zijn, de urn met je as neerploft en zegt “Hier heb je je zoon terug.” , die wil ik niet kennen.

Alles staat stil vanaf dat moment die zaterdagochtend heel vroeg. Ow, vergis je niet. Ik leef door, doe mijn dingen, heb zelfs plezier en geniet van gebeurtenissen. Maar alles staat wel stil.

Stil in een eng donker hoekje van mijn hart. Stil in dat ademloze gedeelte in mijn hoofd. Stil. Overal is stil aanwezig. Stil doet pijn. Ik wil stil niet. Maar ik durf nog steeds niet heel veel lawaai te maken. Stil is niet zo maar weg te jagen.

Laat mij nog maar even fluisteren. Lieve woordjes in het oor van mijn jochie. Heel zachtjes. “Ik mis je zo.” Als ik ga slapen. “Slaap lekker, Pikkieman.” Heel zachtjes.

Altijd.

9 dec

 

December. Speciale maand. Gelukkig heb ik niks met december en speciale feestdagen. Het hele jaar heb ik mooie speciale familieavonden, niet per se gebonden aan een datum. Maar goed, het klopt wel dat we over een week of wat bij elkaar zijn, de hele familie en dat dat voor het eerst zonder jou is.

Maar er is nog niks zonder jou!  Bij alles wat ik doe, denk ik aan jou. Geen moment van de dag vergeet ik je, je bent altijd in mijn gedachten. Je zit in mijn hoofd, ik voel nog steeds die stijfbevroren armen van je die ik in je t-shirt probeerde te wurmen en je koude wangen die ik bleef kussen.

Ik zie nog iedere dag die mensonterende grote luier die je aan had en denk terug aan de tijd dat ik je billetjes afveegde, jouw armpjes om mijn benen heen geslagen. Zo’n klein mannetje, zo lief. Die zondagochtend in het mortuarium was je zo verschrikkelijk dood maar voor mij ben je er nog steeds.

Er is nog niks zonder jou. Je bent in alles aanwezig, vanaf het moment dat ik wakker word en daarvoor in mijn dromen. Je bent mijn kind, hoe kun jein godsnaam weg zijn? Je zult er altijd zijn.

De grote man die je geworden was en die ik nu moeizaam probeerde aan te kleden. Met drie vrouwen die me hierbij hielpen. Drie vrouwen, drie moeders die mij huilend hielpen. Die lieve vrouwen, van de uitvaartonderneming en de schouwarts. Tranen om mijn kind en om mij en ik kon alleen maar denken aan welke schoenen je aan zou willen hebben.

En toen had je die schoenen aan. En toen werd je ingepakt in een zwarte deken. En toen werd je dichtgeritst en vastgesnoerd. En toen mocht ik je thuis weer uitpakken.

En ik was blij dat je weer thuis was. Dat je er was. Net zoals je er ook zal zijn tijdens al die feestdagen. In december.  Elke maand. Altijd. Ik hou van je, Pikman. Voor altijd.

Blijven lachen.

6 dec

Het was eigenlijk best fijn om niets te voelen, deze afgelopen weken. Maar ik merk dat me dat steeds moeilijker afgaat. En dat is, denk ik maar beter ook. Er zit tien ton zwart gevoel op mijn middenrif en soms vergeet ik te ademen. De lading sjit moet er uit.

Als ik tijdens het avondeten niet veel zeg, springt zoon1 meteen in de opleukmodus. Doet de kippen na of vertelt een anekdote over de konijnen. Alles wat me maar vrolijk laat zijn. Hij speurt het internet af naar grappige dierenfilmpjes om mij maar te laten lachen. Ondertussen breekt hij mijn hart vanwege zo veel compassie en jonge mannen onmacht.

Zoon2, die volgens eigen zeggen niet hoeft te huilen omdat hij toch autistisch is, bleef tijdens een avondmaal waar wij alleen met zijn tweetjes aanwezig waren, opvallend lang zitten en kletsen.  Normaal gesproken verdwijnt hij als eerste na de laatste hap naar boven om verder te gamen met vrienden op zijn computer. Ik genoot maar heb hem na vijf minuten toch maar terug gestuurd naar zijn kamer.

Deze jonge kerels kunnen nog niks met dit verdriet. Nog niet. Zij zien hun jonge broertje nog steeds als het blaaskakerige, ijdele en foeterende ventje dat tijdens het avondeten alleen maar kritiek had op wat zij zeiden en op hoe hun levensstijl was. Maar ik weet zeker dat het er ooit uit zal komen, dit verdriet om het verlies van hun jonge broertje.

En zo houden we elkaar vast in een labiel evenwicht. En ik struikel pas als zij naar bed zijn. Ik wil en kan en mag mijn jongens niet opzadelen met die tien ton zwart gevoel op mijn middenrif. Maar voel me wel gezegend met hun pogingen om me te laten lachen, me af te leiden en me te laten vergeten. Als is het maar voor tien minuutjes.

Wat is kapot?

5 dec

Er verandert niet veel. Nog steeds condoleren mensen me die ik na je dood nog niet gezien had. Nog steeds denk ik ’s nachts dat de lol er wel een beetje af is maar nog steeds sta ik ’s ochtends op en doe de dingen die ik moet doen.

Nog steeds draai ik de nummers van je afscheidsdienst knoerthard in mijn werkkamer maar ik moet er godzijdank steeds meer bij huilen. En daar ben ik blij om. Ik voel. Ik voel mijn verdriet steeds beter en echter. En kan er niet meer zo makkelijk omheen.

Bijna elke dag loop ik in de supermarkt of een andere winkel en word ik ineens zo verschrikkelijk duizelig alsof er iemand met een pollepel in mijn hersens roert. Dan denk ik “Oké, ik ga zo tegen de vlakte en dat komt omdat ik mijn verdriet teveel tegen hou”.  Maar halverwege het kledingrek met goedkope t-shirts vind ik een houvast en probeer zo elegant mogelijk mijn weg te vervolgen.

Een week of wat na je dood kreeg ik pijn in mijn mond en tong. Alles prikt en bijt, vooral wijn en dat kunnen we natuurlijk nu net effe niet hebben. Het voelt hetzelfde als tijdens de chemokuren. En met een grote inwendige snik bedacht ik me dat ik wel veertig chemokuren zou willen ondergaan als ik jou daarmee terug kreeg.

En ik voel me een loser omdat ik zoveel jaar geleden na de vierde kuur stopte. Omdat het meer kapot maakte in mijn lichaam dan goed deed. En dat ik nu dat hele woordje ‘kapot’ moet herdefiniëren. Ik dacht dat ik kapot ging met mijn kale kop, mijn haperende weerstand, de pijn en alle andere ellende tijdens zo’n kuur. Djeez, wist ik veel wat kapot gaan werkelijk inhield.