Archief | januari, 2017

Moeders.

31 jan

Ik was naar je toegerend. Had geschreeuwd en gegild om je te waarschuwen. Had je lijfje tegen mijn hart aangedrukt, had het bloeden gestopt met mijn zoenen. Had je schoen weer aangedaan en de troep van je wangen geveegd. Had je overeind getild en mee naar huis genomen.

Ik weet zeker dat ik je had kunnen redden, dat kunnen moeders. Maar omdat ik er niet was ging je dood. Je ging dood terwijl ik lag te slapen. Iedere avond kijk ik naar de foto’s die van je gemaakt zijn op de plek, minuten na je dood.

Ik zie je koppie. Ik zie de onvoorstelbare hoeveelheid bloed en hersenvocht een dikke, vieze vuile godverklote vette streep trekken op het asfalt. Zo veel, zo lang, zo leeggebloed.

En je gezicht. Je haren rood. Je mond staat half open zoals vroeger tijdens je babyslaapjes. Ik aai je wangen, ik aai je mond, ik aai want ik hou zo van je.  Ik wil je terug aaien, dat kunnen moeders. Maar het lukt niet. Je bent duidelijk onherstelbaar stuk. Waarom denk ik dan godverdomme dat ik je weer had kunnen maken?! Dat als ik maar in de buurt was geweest je nu nog zou leven?

Dat moeders altijd troosten en zorgen dat alles weer goed komt. Dat de engste dromen van moeders alleen maar nachtmerries blijven en dat we de volgende ochtend gewoon weer verder gaan. Niet dus. Alle magische krachten die ik aan het moederschap verbond blijken loos. Ik kon mijn kind niet levend houden. En dat voelt als falen. Mijn kind ging dood en er was niks wat ik kon doen.

Mijn lief kind. Mijn kind die als zevenjarig jochie zei dat als ik dood zou gaan, hij aan een nieuw avontuur zou beginnen. Een wereldreis, helemaal in zijn eentje.

En nu zit ik hier, Piet. Helemaal in mijn eentje. Iedereen is naar bed. Ik durf niet aan een nieuw avontuur te beginnen. Ik wil de wereld niet zien. En zeker niet in mijn eentje. Ik mis je. En ik weet dat je mij ook mist.  Ik wou dat moeders konden toveren.

Knetteren.

26 jan

Ik wil hier niet aan wennen. Niet al van te voren denken dat je er niet meer bent. Ik wil je altijd blijven missen. Wil dat verscheurende gevoel in mijn borstkas niet kwijt. Als ik ’s avonds het licht uitdoe en in bed stap wil ik de pijn voelen. Prik ik juist hartverscheurende beelden en gevoelens aan.

Tranen en pijn zorgen ervoor dat je bij me blijft. Ik wil niet lachen, ik moet doormidden breken anders verlies ik je. Geen gezeik over mooie herinneringen die komen en loze beloftes over accepteren en glimlachend terugdenken. Je bent er nondeju niet meer. Nergens meer ook al zoek ik nog zo hard.

Kindlief, als je had geweten wat je me aandoet, was je die nacht blijven slapen bij je vrienden. We konden keihard tegen elkaar knetteren als we ruzie hadden maar altijd uiteindelijk elkaar omarmen en zeggen dat we van elkaar hielden.

Nou jochie, ik ben hier al vier maanden aan het knetteren, ik zoek je armen om het weer goed te maken maar ik vind ze godverdomme nergens. Dus ik blijf hier maar door knetteren, alles vervloekend wat in mijn weg ligt.

Ik kijk naar de foto’s van je beschadigd hoofd en wou dat ik op dat moment bij je was geweest. Had ik mijn armen om je heen kunnen slaan, je lieve lijf vast kunnen houden en “Sorry”  kunnen zeggen. En waarop jij dan altijd zei “Je bent wel de liefste moeder die ik kan hebben” en dan zei ik altijd “En jij bent de liefste laatst geborene die ik kan hebben”.  Zoals we altijd zeiden na het knetteren.

Je laat me in de steek zonder dat je dat wil of dat je er iets aan kon doen. Je bent weg en laat mij knetterend achter. Ik mis je zo erg en ik weet dat je dat nooit gewild had. Maar waar je ook bent, jochie, ik laat je nooit in de steek. Ik blijf van je houden. Ik blijf je missen. Ik blijf vloeken. Ik blijf huilen. Ik blijf knetteren. Ik blijf zelf een beetje doodgaan.

Foto’s

20 jan

Ik bekeek gisteravond  de foto’s die  van je gemaakt zijn tijdens de schouw in het mortuarium. Je kop vol met bloed, blauwe lippen, je kleren had je nog aan. Dan de foto’s waarin je naakt in al je onschuldigheid op die metalen tafel ligt. “Wat heb je een grote piemel” was het eerste wat ik vreemd genoeg dacht. En toen besefte ik dat de laatste keer dat ik je in je blootje zag, toch al gauw een jaar of acht geleden was.

Ik voelde me een beetje raar, de afgelopen donderdagmiddag. Jij bent al bijna vier maanden dood en toch was deze afspraak gemaakt met de agenten die die zaterdagochtend in september dienst hadden en bij jouw ongeluk ter plekke waren. Om hun reconstructie te horen en om alle foto’s  die toen van je gemaakt zijn te zien.

Zouden ze dat niet raar vinden? Een moeder die per sé haar verongelukte kind wil zien? Een moeder die ondanks de waarschuwing  “Er is een bloedspoor van tien meter te zien”  toch zei dat ze de foto’s wilde bekijken?

Nee, dat vonden de drie aanwezige agenten niet raar. Integendeel, ze begrepen het volkomen en probeerden alles zo integer mogelijk uit te leggen en te laten zien. Dus daar zat ik, uiterlijk onbewogen en innerlijk lichtelijk verplet. In een kamertje op het politiebureau in Elst. Op een koude donderdagmiddag in januari.

En ik schrok. Ik schrok van de hoeveelheid bloed die van onder het witte laken, dat over je heen lag, stroomde, de weg af. Glinsterend op het asfalt. Veel te rood. Veel te veel.

Op de volgende foto was het laken weg en zag ik eindelijk hoe je eruit zag toen je dood ging. Je mond stond een beetje open, natuurlijk was je gezicht vuil van het bloed dat uit je oren en neus gestroomd had. Maar zo onmiskenbaar mijn kind. Mijn lieve Piet, mijn nog zo jong maar nu dus zo oud kind. Ik hoefde niet huilen. Ik streek met mijn vinger over het beeldscherm en kon alleen maar denken “Ach lief jochie van me toch”.

Ik zag geen pijn op je gezicht, alleen een ietwat verbaasde uitdrukking. De agenten zeiden nogmaals dat je niet geweten hebt wat je overkwam. De klap met je hoofd tegen de lantaarnpaal was zo hard dat de afdruk van de zijkant van je helm duidelijk in het metaal te zien was. De helm was aan gort net zoals je schedel.

Goed. Of eigenlijk ook niet maar het moet. Weer een stapje verder in geloven dat je echt dood bent en echt nooit meer terugkomt. Stapje voor stapje alhoewel ik soms geen zin heb om verder te lopen.

 

 

Heel veel dank voor de steun en begeleiding van de heren JW Schaap, P. Rijpstra en J. Wassink van de politie Eenheid Oost- Nederland.

Dossier.

16 jan

En dan denk je dat het went. Dat het al een beetje begint te slijten. Maar dan vind je een ding. Zomaar iets wat van Pieter was. Zijn rubber laarzen, ver weg in de gangkast. En dan zak je door je geestelijke knieën met die laarzen in je armen gekneld. En je bedenkt je dat dit nooit over zal gaan. Overal heeft je achttienjarige dode zoon zijn sporen nagelaten al zijn sommige nu nog niet eens zichtbaar.

Over een maand of drie zie ik misschien je lach terug op het gezicht van één van je broers. Volgende week stuurt een vriendin van je misschien een foto op FB. Of denk ik in de zomer aan je als ik zo’n gehuurde partytent ergens in een tuin zie staan. Aan je legendarische feest in de zomer van 2016.

Ik weet dat pijn slijt. Dat ik zelfs met een glimlach aan ‘toen’ zal  kunnen denken. Maar nu nog even niet. Nog altijd confronteer ik mezelf expres met pijnlijke zaken, kijk naar de foto’s die ik van je nam toen je al dood was. Luister iedere avond naar de muziek die gedraaid werd tijdens jouw afscheidsdienst. De video ken ik inmiddels woordelijk van buiten.

Dit helpt mij bij het verwerken van je dood, je niks-is-er-meer, je waar-ben-je-godverdomme? Je overgebleven lievelingsknuffel van vroeger tegen mijn ogen wrijven tot het vol zit met mijn tranen. En troost vinden in het stompzinnige feit dat de andere twee knuffels samen met jou de oven zijn ingeschoven.

Donderdag mag ik bij de politie in Elst het volledige rapport inclusief foto’s inzien. Ik wil dat. Ik moet dat. Ik wil zien hoe je geëindigd bent bij die klote lantaarnpaal want nu weet ik niet hoe je lag toen je dood ging. Ik wil je koppie zien nadat ze de restanten van je helm verwijderd hadden.

Ik wil zien dat je echt dood bent. Ik wil bloed zien en je levenloze gezicht. Ik wil dat privé stukje van je leven zien dat zoveel anderen wel hebben gezien die zaterdagochtend vroeg maar ik niet. Je bent van mij, ik heb je gemaakt, ik had als eerste daar moeten zijn.

Ik ben niet bang om dat allemaal te zien en te lezen. Natuurlijk zal het pijn doen maar tot nu toe voel ik alleen nog maar pijn dus dat maakt niet uit. Misschien is het een manier om een beginnetje van echt accepteren te maken.  Accepteren dat dat gave, mooie ventje er echt niet meer is. En ook beslist nooit meer terug komt. Alleen dan misschien in de lach op het gezicht van eén van zijn broers. Of in een mooie herinnering die zo maar per ongeluk voorbij komt vliegen.

 

 

Hemd.

8 jan

Gisteravond zat ik foto’s te kijken. Van toen je er al niet meer was maar toch nog wel. De foto die ik van je genomen heb op zaterdagochtend een uur of zeven in het mortuarium. Ik vroeg aan mijn vader of dat wel kon, een foto maken van jou op dat moment. “Natuurlijk” zei hij.

De schouw  was net voorbij, je lag in een apart kamertje met stemmige schilderijen en een keurig dekentje over de helft van je lichaam. Ik zag alleen je borst en je gezicht. Ik schrok even toen ik het operatiehemd zag dat je droeg. Hoe vaak had ik dat blauwgele hemd wel niet aangehad de afgelopen jaren? En iedere keer had ik de bibbers zodat  ik de drukknoopjes scheef aan elkaar drukte of helemaal niet omdat er altijd wel een paar ontbraken. De zenuwen en hopen op een goede afloop. En het liep ook altijd goed af.

Maar daar lag jij. In dat zelfde hemd. Maar zonder goede afloop. Wel een goedbedoelde poging om je een beetje gekleed te tonen aan ons want je eigen kleren waren kapot geknipt en bebloed. Twee grote dikke proppen watten staken uit je oren. Wat blauwe plekken bij je rechteroog en linkerwang. Je mond stond een beetje open en je gezicht was niet meer helemaal symmetrisch.

Maar ik zie je. Ik herken je. Ik heb je terug gevonden, je bent weer bij mij. Ik wil je meenemen naar mijn nest.  Dat rare hemd uitdoen, je wakker schudden en je op je donder geven omdat je zo onvoorzichtig was op de weg naar huis. Ik hou je vast, kus je en laat je niet meer los. Alles wordt koud, ik voel mezelf bevriezen zodat ik niks meer hoef te voelen. Een hart en tranen van ijs.

Nu, meer dan drie maanden later begin ik te ontdooien. Begin ik zomaar te huilen tijdens een gezellige borrel met vrienden. Blijf ik troosteloos in bed liggen tot negen uur ’s ochtends.  Gooi ik de teveel gekochte speklapjes snikkend in de vuilnisbak en vervloek je konijn omdat hij jou overleefd heeft. En voel me zo alleen, zo incompleet, zo onvoorstelbaar niks. Niks, nooit meer.

Ik werd altijd weer wakker met dat stomme operatiehemd aan. Jij niet. En ik durf niet eens te denken aan het commentaar dat je gegeven zou hebben op dat hemd. Totaal verkeerde kleuren, rare kraag. Ik weet zeker dat je meteen de volgende dag een cool, gaaf, strak designhemd voor de OK was gaan ontwerpen. Dat doe ik dan aan, mocht het ooit weer nodig zijn.

Ga weg.

6 jan

Ik droomde dat Pieter thuis kwam. Hij liep gewoon de keuken binnen alsof er niks aan de hand was. Maar zelfs in mijn droom wist ik dat er wel degelijk iets aan de hand was. Toch verzon ik allerlei smoezen om te verklaren waarom zijn kamer helemaal veranderd was. Bood aan om met hem naar de Kringloop te rijden omdat al zijn kleren weg waren.

Ondertussen vroeg ik me af hoe ik hem moest vertellen dat hij dood was. Hoe zeg je zoiets? Tegen je geliefde kind duidelijk maken dat hij weg moet gaan omdat hij hier niet meer hoort.  Dat je dat wel heel graag zou willen maar dat dat echt niet kan.

Ik werd verward wakker. Hoe haalde ik het in mijn hoofd? Ik kreeg mijn zoon terug maar vertelde hem dat hij weer weg moest gaan omdat hij dood was.

Gister heb ik de portretten die van hem geschilderd zijn, opgehangen. In de keuken, de enige plek in huis waar we nog als familie bij elkaar zijn. En er werd over hem gepraat. Alsof hij zo de keuken in zou kunnen lopen. Ik zou hem echt niet wegsturen.

 

Datum.

2 jan

Sinds jij dood bent hebben je twee oudere broers hun verjaardag gehad. Gevierd klinkt niet zo toepasselijk.  Grote oma werd zevenennegentig en stierf, precies drie maanden na je verjaardag, in november en je mooie nichtje werd, net als jij, achttien. We deden de Kerstdagen en Oud & Nieuw. Vandaag werd je vader éénenzestig.

Data, data, data, allemaal data na de enige datum die op dit moment voor mij belangrijk is. De voor en de erna datum. De datum waarop alles stopte en toch ook weer verder ging. De datum waarop ikzelf een klein beetje dood ging.

Ieder jaar maak ik mijn agenda zelf. In een ouderwets cahier schrijf ik met de hand alle dagen van het nieuwe jaar op. Dit jaar gaat het langzaam. Normaal gesproken was mijn agenda  al lang af geweest maar nu zit er stroop in mijn pen. Want bij iedere dag die ik noteer raak ik steeds verder weg van jouw datum. Maar zelfs ik, als verdrietige moeder, kan de tijd niet tegen houden of stil laten staan. Het gapende, gruwelijke gat tussen ons twee wordt steeds groter en dat doet pijn.

Toch is het voor mijn gevoel pas gisteren dat je de trap af kwam denderen en in het voorbijgaan riep “Mam, ik ben weg!”. Ik vroeg al niet eens meer waarheen. Je ging weg, sporten, feesten, uit, naar vrienden, school maar je kwam altijd terug.

Het rare, lieve Pikkieman, is dat ik sinds je dood bent geen ongeruste vrijdag- en zaterdagavonden meer heb. Dat waren je stapavonden naar Arnhem en Nijmegen of ieder ander gehucht in de Betuwe. Ik viel altijd pas echt in slaap als ik je hoorde thuiskomen of je helm bij de kapstok zag liggen.

Die zenuwen heb ik niet meer en hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, dat is fijn. Je kan niet meer in elkaar geslagen worden of slachtoffer van zinloos geweld zijn. Niet met teveel drank op iets stoms doen.  Geen verkeerd pilletje slikken op een festival. Of op je scootertje in slaap vallen en tegen een lantaarnpaal aanknallen….