Archief | maart, 2017

Zonder jou.

29 mrt

Ik kan natuurlijk niet tegen mijn zonen zeggen dat de lol er een beetje af is. Dat ik wel hardop lach maar met een schamper hart. Dat ik in alle gezinssituaties Pieter ergens tussen prop. En nog steeds in elkaar krimp iedere keer dat ik vier in plaats van vijf borden uit de kast pak ook al at hij zo vaak niet mee.

En dat ik me nu ineens, al schrijvende, realiseer dat ik over je schrijf in de derde persoon in plaats van direct tegen je. Daar schrik ik even van. Dat voelt niet lekker. Alsof je er niet meer bent. Want dat zal je altijd zijn, lief stoer joch van me. Bij alles wat ik doe zit je in mijn hoofd. Soms te veel, soms te weinig maar je bent er altijd. In mijn hoofd. In mijn gedachten. Bij al het moois en lelijks wat ik denk.

Bij iedere godskolere verdoemde lantaarnpaal op een middenberm denk ik aan je en geloof me, dat zijn er heel veel. Ieder jochie op een scooter zet me op mijn plaats. Iedere keer bij het boodschappen doen gooi ik bijna iets in mijn karretje dat alleen jij lekker vindt.

Vond.  Verleden tijd, moeders. Wen er nou eens aan. Al kan ik me niks voorstellen bij verleden tijd van jou. Dat kan ook niet. Je bent achttien jaar, twee maanden en twee dagen zo’n belangrijk deel van me geweest. Je hebt negen maanden in mijn buik gezeten. Ik was de enige die je al kende voor je geboren was.

Ik ben liever de rest van mijn leven verdrietig dan dat ik je zou vergeten of niet meer aan je zou denken. Je bent een stukje van mij. Zonder jou was ik nooit geworden wie ik nu ben. Maar zonder jou ben ik nu niet meer wie ik was.

 

Een half jaar en één dag.

27 mrt

Na een half jaar en één dag was ik eindelijk op de plek waar jij dood bent gegaan. Eindelijk gestopt en uit de auto gestapt. Daar stond ik dan, bij jouw lantaarnpaal. Ik voelde me bekeken door de mensen in de passerende auto’s. Maar dat wisten ze niet. Dit was zoiets tussen jou en mij, zo privé, daar hoorden geen onbekenden bij.

Ik zag de afdruk van je helm op de paal, na al die maanden  een beetje vervaagd. Ik wist door de foto’s precies waar je gelegen had, waar al dat bloed uit je hoofd gestroomd was. Waar je linkerschoen en sok terecht waren gekomen. En waar je scooter als een gesneuvelde draak op het asfalt geëindigd was.

Voorzichtig keek ik naar de stoeptegels, bang dat ik nog wat bloed zou zien. Bang eigenlijk voor ieder bewijs van je dood hier, op deze rare plek. Ik stond daar maar alsof ik een teken van je verwachtte. Iets, een geluid of desnoods een dooie duif die uit de lucht flikkerde. Dat gebeurde natuurlijk allemaal niet.

Wel kreeg ik een teken van je vrienden en vriendinnen. Samen met Robin en Just hadden ze je op de avond hiervoor herdacht, weer op deze plek in het schemerlicht. Ze hebben je nichtje en neefje alle speciale Pieter-plekken laten zien. De cafetaria waar je altijd een frietje at, de Chillroom waar je dingen deed die Robin en Just hopelijk nog niet doen en uiteindelijk de plek waar je gestorven bent. Er lagen bossen bloemen, kaarsjes, en een flesje Mexicaans bier. ( Die jij altijd van mij pikte als ik ze gekocht had). En het petje hing nog steeds aan de paal.

Ik voelde me dicht bij je op de plek. Ik wilde huilen maar dat lukte niet. Ik liet een beetje  van je daar maar het meeste nam ik met me mee naar huis. Een half jaar en één dag. Ik mis je, Piet.

Nee.

22 mrt

Het is kwart voor twaalf, midden in de week. Waarom zou ik naar bed gaan? Als ik ga slapen en morgenochtend wakker word is er niks veranderd. Ben je nog steeds dood. Begint er weer een nieuwe dag zonder jou. Dood blijkt toch behoorlijk onherroepelijk. Dood. Als ik het maar twee keer hardop denk in mijn hoofd dan voel ik mijn middenrif doormidden branden.

Vanmiddag kwam ik een oud-collega-schoolplein-moeder tegen. We hadden het over onze moederangsten. Want naast opscheppen over al die kwaliteiten van ons grut, wisten we ook dat met één dirigeerstokje van die klootzak in de hemel, alles over kon zijn.

Angsten waar je dagelijks meeleeft. Is een kind te laat thuis? Dan krijg je de bibbers. Wordt er door school gebeld, dan zak je door je knieën voor je goed hoort wat ze zeggen. En dat toen haar dochter na de val van een paard op de grond lag, het ambulancepersoneel  vroeg naar de geboortedatum. Ze kwam niet verder dan “Het is iets met een drie…”

Ik dacht altijd dat ik ter plekke zou gaan overgeven. Op zijn minst flauw zou vallen als iemand mij zou vertellen dat er een kind van me dood was. Niets van dat al. Niks dramatisch. Ik liep de trap af met mijn hand voor mijn mond en zei “Nee”. Ik hoefde niet over te geven. Ik viel niet flauw. Ik zei en wilde alleen maar “Nee”.

 

Tattoo

20 mrt

Vanochtend was ik bij de tattooshop in Nijmegen. Ik wilde je naam laten zetten aan de binnenkant van mijn pols. In een heel bescheiden lettertje zonder dramatische toevoegingen als ‘Forever’ of met een rood hart erbij. Maar wel precies op de plek die mijn hart raakt als ik mijn arm tegen mijn lichaam zou houden.

Harry, de tattooman, had zelf bijna geen onbeschreven vel meer op zijn lichaam maar jouw naam op mijn pols zetten wilde hij niet. Tenminste, niet zoals ík wilde. Ik wilde je naam kunnen lezen als ik naar mijn pols zou kijken. Maar dat kon niet volgens Harry want dan zou de rest van wereld het op zijn kop zien.

“Ja, dat snap ik” zei ik kalm en bedaard. “Maar deze tattoo is dan ook niet voor de rest van de wereld maar alleen voor mij. Een symbool dat iets betekent voor mij.” Harry bleef onverbiddelijk. Op mijn herhaaldelijk vragen waarom hij daar dan toch zo’n moeite mee had bleef hij maar zeggen dat het technisch fout was. ( Nou is Harry van origine Engelsman, geloof ik, dus even dacht ik dat de door mij gewenste tattoo technisch niet uitvoerbaar zou zijn. Lulkoek, dus)

Ik gooide het over een andere boeg, zei dat jij niet zo maar een nieuw vriendje was maar mijn zoon en dat het zetten van je naam op mijn pols heel veel voor mij betekende. Harry zei nee. Ik liet Harry foto’s op mijn mobiel zien waarop polsen stonden met namen getatoeëerd precies op de manier waarop ik dat graag wilde. Harry zei nee.

Andere inktmannen begonnen zich er mee te bemoeien en zeiden ook allemaal nee. Ik vervolgde mijn betoog en verzekerde ze dat niemand van die rest van de wereld mijn tattoo zou zien omdat er een mouw overheen zat. Nee zeiden de mannen. “En als ik nou beloof dat ik er een pleister overheen doe als ik op het strand lig?” probeerde ik. Nee zeiden de mannen.

Toen werd ik kwaad. Dat heb ik wel vaker als ik mijn zin niet krijg. Je ziet godverdomme de meest walgelijke tattoo’s op nog walgelijkere mensen en een naam in een bescheiden lettertype , ook al stond hij dan op zijn kop, zou niet uitvoerbaar zijn. Al liet ik knettergroot ’ KUT’ op mijn voorhoofd tatoeëren, dat is mijn zaak.

Dus speelde ik mijn laatste troef uit en zei: “Pieter is mijn jongste zoon en hij is een half jaar geleden verongelukt. Hij is dood, snappen jullie dat?” En ik liet heel gemeen de foto van jou zien in het mortuarium toen ze je gezicht nog niet hadden schoongemaakt. Onder de zwarte inkt verbleekten de mannen, er werd nerveus aan allerlei lichaamsoneigen metaal gefrunnikt en zenuwachtig geschuifeld met stoere Dr Martins. Nee zeiden de mannen.

Ik droop af. Ging onverrichterzake naar huis. Daar moet ik nog ergens een kroontjespen hebben liggen en een potje zwarte inkt. Er zal “Pieter” op mijn pols komen te staan. Op de manier zoals ik het wil.

Moeder.

17 mrt

Ik kijk vaak naar een foto van jou, gemaakt een paar minuten nadat je in het mortuarium was aangekomen,  bijna gelijktijdig met ons, jij was er ietsje eerder. Je hebt je kleren nog aan maar daar kijk ik niet naar. Ik kijk naar je koppie. Je hoofd vol met opgedroogd bloed en ik vraag me af of al die mensen die om je heen staan jou kunnen zien zoals ik je zie.

Politieagenten die geen seconden van je zijde zijn geweken sinds de oproep via hun mobilofoon.  De schouwarts die je op de brancard naar binnen heeft gehaald  en zorgvuldig de kleren van je lichaam heeft geknipt. Wat zagen zij? Een te jonge dode man?  Een zoveelste verkeersslachtoffer?

Ik weet alleen dat ik de ochtend na jouw dood je aan moest kleden en dat er drie vrouwen om me heen stonden. Drie vrouwen, drie moeders waarschijnlijk. Halverwege je lievelings  t-shirt bleef ik steken en lukte het me niet om mijn eigen dode kind aan te kleden.

En dat deed zo’n zeer. Ik kreeg die stijfbevroren armen niet in dat nauwe armgat. Wist ik veel dat ze je na de donoramputaties  in de vriezer hadden gelegd. Als een onsje gehakt. En daarom deed het me zo goed, die drie vrouwen die dit soort dingen dagelijks doen, maar nu, bij mijn Pieter, alle drie met tranen in hun ogen mij hielpen.

Ik kon zelf niet huilen. Ik streek de haren uit het gezicht van mijn kind. Ik snoof in zijn nek op zoek naar zijn geur. Ik had pijn. Ik wilde hem terug. Ik aaide zijn hoofd  en ik begreep niets meer.

Maar die drie vrouwen hielpen me. Propten zijn armen door het gat van zijn mouw. Wrikten zijn schoenen aan zijn eng krakende voeten. Keken naar me en wisten. Ik was niet de eerste moeder. Maar zij lieten mij denken van wel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hard.

16 mrt

Er gebeurt zo veel in mijn leven op dit moment. Warrige tijden. Maar ’s avonds komt alles terug op één punt: ‘ Pieter is er niet meer.’  Nog steeds schrik ik me te pletter als ik die zin opschrijf of alleen maar denk. Telkens weer schrikken, die pijn in mijn borstkas voelen en het ongeloof. Die woorden “Pieter is er niet meer” maken me ongevoelig voor de realiteit, voor andere dingen. Ik verhard, relativeer en heb schijt aan een heleboel mensen en hun gezeur.

Ik hoef niet meer aardig gevonden te worden en dat is na drieenvijftig jaar een openbaring en een verademing. Het kan me niet meer schelen of mensen me een stomme trut of een zeikwijf vinden. Ik zeg eerlijk wat ik denk en doe er soms een schepje bovenop.  Vind je me niet meer aardig? Jammer dan.

Mijn jongste is dood en zijn dood laat alles verbleken wat ik vroeger wel belangrijk vond. Ik ben mijn angst kwijt want datgene waar ik het bangst voor was is gebeurd. Kom ik in het holst van de nacht een inbreker tegen in mijn huis? Ik schop hem helemaal aan flarden en laat niets van hem over. Stiekem verdwaalde kankercellen in mijn lichaam?  Flikker toch op, prutsers! Dat wat ze dood willen maken is allang dood. Goed, dat klinkt wel erg dramatisch maar jullie begrijpen vast wat ik bedoel.

De dood van Pieter heeft me harder gemaakt. Zo hard dat ik nog niet eens heb gehuild om de dood van mijn oma. Dat ik gewoon vergeet dat ze er niet meer is. Dat ik effe langs wil gaan. Maar op tijd snap dat dat niet meer kan.  Pieter’s  dood heeft een gat in mijn hart gemaakt. Een gat zo groot dat ik mijn hoofd er door kan steken. En in die andere wereld kan kijken. Daar waar Pieter er nog gewoon is. Alhoewel, ook daar zal hij driekwart van zijn tijd weg zijn, de hort op, naar vrienden, feesten, sportscholen en alle andere dingen die jochies van achttien zo graag doen. Gelijk heb je, jochie. Geniet van het leven.

Tijd.

13 mrt

En weet je wat, lieve Pieter? Tijd maakt geen moer uit. Je bent bijna zes maanden dood en ik huil nog evenveel om je. Mis je nog net zo erg. Het lijkt gister dat je op je scootertje naar je avondbaantje vertrok. De maanden daartussen zijn in een vreemd soort tijdsvacuüm gezogen. Ik denk te begrijpen wat Stephen Hawking probeerde te zeggen over imaginaire tijd en iets met dubbelgevouwen pizza’s wat ik ooit op televisie zag. Tijd is niet wat het lijkt.

Ik ben hele weken, hele maanden kwijt. Wat heb ik in godsnaam gedaan in november? Hoe kan het nu al weer maart zijn? Ben ik al jarig geweest? Tijd zegt niets. Tijd is niks. Tijd is alleen maar snikken in mijn kussen en mijn weerzin om een herinnering van je te maken.

Tijd is een verleidelijke Sirene die je meelokt en beloofd dat het allemaal beter zal worden. Dat de pijn zal slijten. Maar tijd zette met bloed haar handtekening  op jouw gezicht, die septembermorgen. Ik trap niet in haar mooie verhalen, geloof haar beloftes niet meer.

Tijd blijkt niet te bestaan als je je kind verliest.  Tijd verstopt zich in een hoekje en lacht je zachtjes uit. En je gaat verder. Zonder tijd. Want die trut heeft geen kinderen. Heeft geen gevoel en weet niet wat eeuwig missen is.

Blaaskaakje.

7 mrt

En natuurlijk was je geen heilige en kon ik je soms wel heel hard tegen je schenen trappen als je weer eens vreselijk arrogant je broers beschimpte aan tafel. Iets te zelfverzekerd voor een knulleke van die leeftijd, iets teveel kritiek voor een broekie. Gelukkig lieten je broers je tirades langs zich heen glijden en keken mij rologend aan. Waarop ik rologend terug keek en nog maar eens een trap tegen je benen gaf.

Maar het is ook wel logisch. Vanaf het moment dat je geboren was zag je er mooi uit. Een grote bos zwart haar en een perfect koppie. En dat bleef zo. Je was een mooi kind en hoorde dat vaak genoeg. Oude mevrouwtjes wilden altijd in jouw wangetjes knijpen en ik als moeder vond die complimentjes natuurlijk heel leuk.

Het gevolg was wel dat je je heel erg bewust werd van je uiterlijk. En daar natuurlijk schandalig gebruik van maakte. Met je engelachtige smoel kreeg je alles voor elkaar. Thuis pestten wij je natuurlijk een beetje met je getut voor de spiegel en je grootverbruik van gel en deo. Maar in het laatste jaar van de basisschool kwam je glimmend op me af lopen en zei: “ Mam, dat ijdele gedoe heeft wel succes gehad want ik ben gekozen als mooiste jongen van de klas. “

Toen je na twee jaar uitsluitend zwarte kleding gedragen te hebben besloot om dat te veranderen kwam je aan tafel met een nog net zichtbaar wit randje van een t-shirt onder je trui. “Mam” zei je ” Ik ben op zoek naar een nieuwe identiteit”.  Elf was je toen….

Maar met die nieuwe identiteit kwam het helemaal goed. Je werd een lokale trendsetter qua kledingstijl en dat vond je heerlijk. En bij deze beloof ik met terugwerkende kracht jouw eerste ontwerp van een bloemetjesjurk met verve te dragen.

 

 

Tractor

5 mrt

Kleine herinneringen wapperen voorbij. Je was een jaar of drie en met mij in een tuincentrum. Je was helemaal gek van tractors. Logisch, we woonden op het platteland, die dingen kwamen dagelijks en vaak voorbij. En je vijftien jaar oudere buurjongen gaf je regelmatig verouderde speelgoed modellen uit zijn verzameling.

Maar goed, wij waren in dat tuincentrum en daar zag je een gigantische tractor. Die wilde je. Die moest je hebben. Maar ik zei “Nee”. Je wilde hem heel graag maar weer zei ik “Nee”. Op dat moment deed je wat veel kinderen van die leeftijd doen maar wat ik nog nooit meegemaakt had met jullie. Je viel languit over de vloer met hysterisch gekrijs en geschreeuw.

Ik duwde mijn karretje vol met begonia’s verder in de rij en deed net alsof je mijn kind niet was. Achter me stond een oud boertje en die zei “Ach, gif da jong toch die tractor”.  Ik zei niets, probeerde me alle wijze raadgevingen en tips uit de jarenlang verslonden ‘Ouders van Nu’ te herinneren maar wist niks meer.

Toen ik mijn perkgoed had afgerekend lag jij  tien meter verderop nog steeds dramatisch op de grond. Ouwe mevrouwtjes aaiden je over je hoofd maar die gromde je snel weg. Vanachter de kassa riep ik naar je dat ik naar de auto ging en dat je op moest schieten als je nog mee wilde.

Zo heldhaftig mogelijk probeerde je je verloren terugtocht te verbloemen want om nou tot sluitingstijd daar te blijven liggen, nee. Alsof er  niks aan de hand was verliet je de winkel met mij, naar het parkeerterrein waar de auto stond. Eenmaal vastgesnoerd in je kinderzitje volgde er wel een meelijwekkende nasnik maar na tien minuten was je het hele gebeuren alweer vergeten.

Ik niet want vier weken daarna was je jarig.

Slecht nieuws gesprekken.

3 mrt

Vrijdagavond. Ik hoor je roepen “Mam, ik ben weg!” altijd in een diklippig Surinaams accent. Ik riep  moedersgetrouw terug  “Doe voorzichtig! “. En soms als toegift “Hou de familienaam in ere! “. En ging weer verder met dat wat ik op dat moment aan het doen was.

Want je gaat er vanuit dat je kind weer veilig thuiskomt. Enge ongelukken gebeuren alleen in de krant en bij andere mensen. Je gaat rustig slapen met het idee ‘Dat gebeurt ons niet’.

Maar dan ineens hoor je bij de gevreesde statistieken. Dan ineens staat er politie op de stoep om half vijf zaterdagochtend. Dan ineens maakt je man je wakker en die zegt “Je moet naar beneden komen, de politie is er, Pieter is dood”.  Dan ineens kun je alleen maar “Nee !!“ zeggen tegen die politie. En dan pakt zoon2 je stevig vast en kun je alleen maar zeggen “Ik geloof dit niet, Wout!”

In dat wat je aan had die septembernacht zak je door je knieën op een stoel. De politieagenten zitten op de bank. Naast elkaar, jonge mensen.  Je zegt “Ik geloof dit niet” maar ze kunnen geen antwoord geven. Ze zitten daar maar. Ongetwijfeld een cursus ‘Slecht-nieuws-gesprekken’ gevolgd maar op een moeder die niet wil geloven dat haar kind dood is kun je niet oefenen.

Ik stond op en liep naar de keuken om een glas water te halen. Meteen werd zoon2 achter mij aangestuurd want wat ze wel hadden geleerd tijdens die cursus is dat familieleden vaak wanhopig kunnen reageren op onheilstijdingen en zichzelf dan wat aan kunnen doen.

Maar ik wilde alleen maar wat water drinken. Dood was ik toch al.