Archief | juni, 2017

De week.

20 jun

Het was de week van de eindexamenuitslagen. Ik zag overal tassen en vlaggen uit huizen hangen. Jij had dit jaar ook je diploma gehaald. Pies of keek omdat je nu eindelijk een strak plan voor je toekomst had.

Iedere vlag deed me een beetje zeer. Ik was natuurlijk blij voor de achterliggende scholier maar ik was wel de hele week triest.

Afgelopen week vertelde mijn fysiotherapeute me, die in de oudercie van je school zit, dat er op verzoek van de leerlingen en leraren er tijdens de diploma uitreikingen en bijbehorende  festiviteiten  weer even stil zou worden gestaan bij jouw dood maar ook bij jouw leven.

Ik hoorde de emotie in haar stem maar beet op mijn wang. Pas toen ik in de auto naar huis reed moest ik huilen. Soms komen tranen die niet gevallen zijn in de afgelopen maanden ineens tegelijk naar boven.

Ik huilde. Ik jankte. Ik vervloekte iedere tegenligger die er aan kwam. “Waarom ben jij niet dood in plaats van mijn zoon?” En ik was blij dat ik de weg naar huis uit mijn hoofd kende want ik zag geen moer. Maar dat dus na bijna negen maanden er nog niets geheeld is, nog niks gewend, nog nooit niet immer altijd never geaccepteerd is.

Het zij zo. Ik wil te snel en word soms corrigerend op mijn neus getikt. “Niet te stoer doen, Polleke” hoor ik mijn oma zeggen. Weet ik, lief wief. Ik was toevallig vandaag kersen aan het plukken en bedacht me dat ik morgen een grote zak vol voor haar zou meenemen.

Dat dus. En dat ik diepverdrietig aan mijn vader appte dat ik zo moest huilen om dat bericht van school. Dat ze je nog niet vergeten zijn en je willen noemen tijdens de slotdagen. Dat me dat zo vreselijk goed deed maar dat ik wel moest huilen. Waarop hij zei; “Ik ook”.

We zijn nog niet klaar met je, Pieter. Je bent in alles wat we doen. Ik draaide vanmiddag nog één van je favoriete nummers. Time of your life. Van Slim Shore and Code Black. Zo mooi en zo toepasselijk.  En ik zie je. Ik zie je op festivals helemaal uit je dak gaan. Feesten, het leven vieren, oneindige pret. Je zal er altijd bij zijn.

Bloemkolen.

12 jun

Ik zie nog steeds mensen achter de bloemkolen of piepers duiken als zij mij zien in de supermarkt. Want ze weten niks te zeggen tegen mij als ik ze zie. Dat snap ik wel. Ik word daar ook niet boos of verdrietig over. Ik heb dat zelf ook eens gedaan toen ik de vader van een overleden kind zag lopen. Ineens moest ik toevallig, plotseling, die ene winkel in.

Want wat moet je zeggen? Wat wil je zeggen? Wat is troostend en wat niet? Ik dook die winkel in en schaamde me dood. Dat ik niet het lef had om met verdriet geconfronteerd te worden. Ik, die dat verdriet niet eens zelf meemaakte.

Nu zijn de rollen al bijna negen maanden  omgedraaid. Ik heb ervaren dat mensen je negeren. Omdat ze , als ze ‘Hoi’ zeggen, eigenlijk ook verplicht zijn te vragen hoe het met je met je gaat. En ze weten donders goed dat de kans bestaat dat jij je hele ellendige baggerzooi over hun én die bloemkolen gaat uitstorten. En dat midden in de Albert Heijn. Dus duiken mensen weg achter de aubergines en pakken melk. En ik vergeef het ze. Ik begrijp dat echt wel.

Des te mooier zijn de ontmoetingen waarbij mensen wel die stap durven te nemen. En wat voelt dat goed! Die ex-collega-schoolpleinmoeder. Die in haar Mini  gewoon vol in de remmen ging om me aan te spreken.  Die jonge moeder van drie kinderen die ik ken via de antiekzaak van haar moeder. Die schrikt als ik binnenkom maar daarna het lef heeft om niet alleen ‘Hoi ‘ te zeggen maar ook naar me toe durft te komen en te vragen hoe het gaat.

Dat doet me goed. Zo verschrikkelijk erg goed. Het voelt een beetje als delen van mijn verdriet zodat het wat minder zwaar is. Dragelijker. Begrepen. Van alles maar vooral fijn.

Ontslag.

9 jun

Al sinds jouw dood flikkert de lamp hier in de gang naast mijn kamer op gezette tijden. Niet vaak, niet continue maar wel op een manier die aangeeft dat hij binnen een seconde of wat de geest zal geven.

Maar dat gebeurt niet. Om de zoveel tijd flikkert en flakkert het licht en dan denk ik dat jij dat bent. Dat je probeert een boodschap door te geven. Een teken of wat dan ook. Maar laten we duidelijk zijn, ik geloof niet in een hiernamaals, ik geloof niet in geesten. Maar toch is het een prettige gedachte te denken dat jij het bent die wilt zeggen dat je aan me denkt.

Ik heb niets meer van je. Geen levend lijf, geen woorden, geen zoen, niks tastbaars. Je bent helemaal weg en daarom zoek ik misschien wel naar dingen waaruit zou kunnen blijken dat je toch nog een beetje hier bent. Ook al druist dat tegen al mijn principes en geloof in.

Liefhebbende moeders zijn eigenwijs. Ze willen dingen zien dus doen ze dat. En het helpt me een beetje. Ik vind troost in dat flakkerende lichtje dat na een seconde of wat weer normaal licht geeft. Al negen maanden lang. Een speciaal soort spaarlamp. Een moederhartenspaarlamp dus.

Ik heb niets meer van je. Alleen de herinneringen aan jou, je armen om me heen, jij zoals alleen jij kon zijn. Ik verbaas me nog elke dag dat ik verder blijk te kunnen gaan. Dat ik ben zonder dat jij er bent.

Ik ben er, maar niet helemaal. En de afgelopen dagen besefte ik dat ik straks, over een maandje of wat, je broers ook niet meer dagelijks zal zien als die ingebakken vanzelfsprekendheid die dat was. En dat gegeven zorgde er voor dat ik me de laatste paar dagen bodemloos verdrietig voel. Dat ik strompel om de dagen door te komen. Dat ik jou zo mis en straks je broers ook nog eens. Ook al is dat dan anders.

Ik ben ontslagen. Van de baan die ik het liefste deed. Zorgen voor mijn jongens. Het is klaar, het is gedaan. Maar mijn moederhart huilt.