Archief | juli, 2017

Lamp?

28 jul

De lamp in de gang heeft al een week of wat niet geflikkerd of geflakkerd.  Stond ik ’s avonds omhoog  te kijken. Vroeg zachtjes “Piet?” Maar ik kreeg geen antwoord. Misschien moet dat zo. Verliezen, verwerken, vervagen, verhuizen. Ik was immers degene die met haar stomme kop had bedacht dat jij heel misschien via die lamp wilde laten weten dat je aan me dacht.

Dus stond ik daar. Een moeder die tegen een lamp praatte. Er zijn er voor minder opgesloten in diverse inrichtingen maar toch. Ik ben ook die moeder die troost haalt uit het feit dat van de twee waxinelichtjes de jouwe altijd als laatste uit gaat en heen en weer flakkert  ook al is er geen zuchtje wind. Dan hoor ik je stem op het ritme van het kaarslicht. Al je verhalen in de maneschijn.

Maar nu verlies ik dus dat laatste stukje, al dan niet zelfverzonnen, contact. Vervaag je steeds verder, wordt het langer geleden, zou ik minder pijn moeten voelen. Maar de pijn wordt echt niet minder. Iedere ochtend word ik wakker met dat gevoel dat er iets helemaal niet goed is. En na drie nanoseconden weet ik het weer. Je bent dood.

En daar worstel ik de dag mee door. In alles wat ik doe. In alles wat ik denk. Betrap mezelf op het bedenken van je foute eigenschappen zodat ik zogenaamd iets makkelijker je dood kan accepteren. Denk ik expres aan hoe lullig je tegen je broers kon doen. Hoe je alleen maar naar je eigen reflectie in de ruit keek en je spieren liet rollen. Hoe je glashard tegen me stond te liegen en niet wist dat ik kon zien of je de waarheid sprak of niet. En hoe kwaad je werd als ik je daar mee confronteerde en terecht wees.

Want je was natuurlijk nog maar een jochie van achttien, zo zeker van zichzelf maar ook weer helemaal niet. Je probeerde alles, zocht je grenzen en de mijne. En de wereld leek aan je voeten te liggen. Maar dat hebben alle mensen van achttien.

Je opa had gelijk toen hij afgelopen zaterdag op je negentiende verjaardag de flessen champagne open liet knallen. “Een bruisende toast op het bruisende leven van Pieter.”

We missen je zo verschrikkelijk erg, Piet.

 

 

N.B. Toen ik dit stukje overschreef op mijn pc, flakkerde de lamp in de gang. I kid joe not.

Op.

18 jul

Jochie, jochie. Wat heb ik het moeilijk. Wat weegt je dood toch tonnen zwaar. Ik speel verstoppertje maar word daar natuurlijk keihard voor gestraft. Want na alle vrolijke dingen, de ‘er is niets aan de hand dingen’, eindig ik toch altijd weer hier, in de kamer waar jij dood lag te wezen.

En dan kan ik er niet meer omheen. Ik word een schamper wezen, mijn hartslag haalt me in, hoesten wordt kokhalzen en ik hyperventileer als een ouwe koe.

Zaterdag ben je jarig en ik wou dat het al zondag was. Ik wil dat het al 25 september 2017 is. Ik wil alles voorbij hebben en gedaan. Ik wil geen mijlpaaldagen meer, ik wil alles vroeger hebben.

En het lukt je steeds meer om door te dringen in mijn niets-aan-de-hand-leven. Lopen er tranen over mijn wangen tijdens een gezellig avondje uit, bijt ik mijn wangen kapot als ik jochies met rode gympies zie en wil ik soms niks meer, op als ik ben. Het leven is zo kaal zonder jou. Te vaak momenten dat ik denk dat ik dit niet red.

En kaal zal het altijd blijven,  je bent een te groot stuk van mijn zijn. Maar ik modder voort. Ik hoor je stem in mijn hoofd en voel je schop onder mijn kont. Ja, ik weet het, lief kind van me. Je houdt niet van zwakke mensen. Hup, actie en niet zeuren. Maar de laatste weken lukt dat allemaal niet zo. Het raakt een beetje op.

Hoe ik dat moet oplossen weet ik niet. Ik modder voort. Ik huil. Ik lach. Ik mis je.

Rotdagen.

4 jul

De rotdagen. Van die dagen dat ik veel te veel jongetjes op scootertjes passeer en in een flits denk je te herkennen. Ondanks de helm en juist door de rode gympies. Die rotdagen waarin ik niet weet waarom mensen zeggen dat ik sterk ben.  Want ik voel me niet sterk. Ik wil ook niet sterk zijn. Ik wil huilen, schreeuwen, schoppen, kotsen, me schandalig gedragen, alles behalve m’n zelfbeheerste ik zijn.

Ik wil in bed blijven liggen. De gordijnen dicht. Geen geluiden alleen maar ik met mijn gedachten en herinneringen aan jou. Maar ik blijf mijn zelfbeheerste ik .

Zo word ik heen en weer geslingerd in die rotdagen. Het zijn grauwe dagen. Alles is muf, stil, doods en verdrietig. En de klomp pijn in mijn buik groeit verder, absorbeert iedere zwarte gedachte en kleit er een nieuwe laag mee.

Ik ben niet sterk. Ik ben gewoon te laf om toe te geven aan de pijn. Ik durf niet. Want stel je voor dat ik eindelijk snap dat je dood bent en nooit meer terugkomt. Wat moet ik dan?

Bij ieder geel paaltje met een pijl op een blauw bordje bijt ik op mijn tanden en geef gas. Door. Verder. Er niet bij stilstaan des te eerder is het over. Maar op die rotdagen besef ik dus dat het nooit over zal zijn. Hoeveel gas ik ook geef. Hoe hard ik ook wegrij van je dood.

Wouter

2 jul

Mensen vroegen me vaak hoe het nu met je broers ging. En dan hoorde ik je in mijn hoofd zeggen dat die broers van je zich niet interesseerden in jouw doen en laten en had je als kritiek dat ze bijvoorbeeld nooit vroegen hoe het met de, op dat moment, vriendin ging.

Toch hebben die twee grote broers van je, samen met je beste vrienden, de kist waarin je lag helemaal naar de voorkant van de zaal gereden.  En zijn daar blijven staan volgens het scenario tot het nummer van Colio was afgelopen.

Floris stond links van je, berustend op de plek vlak naast je hoofd. Wouter aan de andere kant. En Wouter vond het niet fijn om daar zo in het bijna middelpunt van de aandacht te staan. Dat zag ik aan zijn kop. Je kent Wout dus je weet vast wat ik bedoel. Hij was dan ook de eerste die zei, na afloop van het nummer van Colio, “Tis klaar, we mogen gaan”.  En dat lipleeste ik toen ik de video bekeek.

Tijdens de dienst zat Wouter naast me. Floris aan de andere kant. Ik had zo’n behoefte om mijn levende zonen naast me te weten, jouw broers waarvan ik nu pas de erge kwetsbaarheid besefte. En ze hielpen mij die rare dienst door. Waar ik maar bleef denken dat er een vergissing was gemaakt. Dat het niet mijn kind was dat daar in die kist lag. Niet jij, mijn zoon die altijd honderd engeltjes op zijn schouder had.

Wout, de broer waarmee je het minste ruzie had. Hij is zo veranderd. Je zou hem moeten zien. Hij kiest ineens zijn eigen weg en durft commentaar te geven op alles wat er tegen hem gezegd wordt. Hij komt voor zichzelf op en daar ben ik zo blij om. Hij loopt bij de huisarts naar de balie als hij niet snel genoeg geholpen wordt. “Wout?!”  hoor ik je zeggen. Ja, Wout.

Daar staat een vent. Wouter. Met baard en lang haar. Ik zie hem staan en denk “Godver, wat heb ik toch een mooie kinderen gemaakt”. Ik weet niet of jouw dood er aan heeft bijgedragen dat Wouter nu een soort van ‘ontpopt’ is. Maar voor het geval dat, dan ben ik je heel dankbaar. En je grote broers houden echt wel van je ook al dacht je dat van niet.