Archief | augustus, 2017

Slopend.

29 aug

Je sloopt me. Je breekt me af. Je laat me lijden. Je giert door mijn dagen, met orkaankracht haal je me neer. En laat me achter. Alleen. Zo pijnlijk. Ik huil onzichtbare tranen. Ik verbijt grote stukken. Ik steek waxinelichtjes aan tegen beter weten in.

En na bijna een jaar schreeuw ik tegen de wolken en de sterren in de lucht “Waarom ben je niet blijven slapen bij je vrienden?”  Waarom toch nog op die klote scooter gestapt? Waarom, waarom, lief joch van me?

Waarom was er geen god die die zaterdagochtend heel vroeg je scooter onklaar maakte? Zoals zo vaak op doordeweekse dagen. Hier in de schuur. Waarom? Waarom?

De willekeur van het waarom verbijstert me. Jij was een goed mens, een heerlijke zoon, een bondgenoot. En nu ben je weg. Voor altijd. En dat verdien je niet. En ik ook niet.

En ik ben op. Tergend langzaam naar de enige conclusie gedreven. Ik kan er  niet meer onderuit,  je bent hartstikke dood en weg. De lamp in de gang knippert bijna niet meer. Soms effe op een avond.

Je verlaat me omdat het nou eenmaal zo is. Dus ik hou je oude knuffel stevig vast. Want zo makkelijk laat ik je ook weer niet gaan. Ik hou van je, lieve Pieter. En ik weet dat je ook van  mij houdt.

Elf maanden en één dag.

25 aug

Ik begon dit stukkie drie keer met het woordje ‘Hoe’ maar kwam niet verder. Ik wilde schrijven over jouw dood en hoe ik daar in het dagelijks leven mee omga. Ik kwam vandaag, elf maanden en één dag na je overlijden, tot de conclusie dat ik overleef omdat ik er bewust niet aan denk. Dat klinkt raar. Ik probeer het uit te leggen aan je.

Als ik bewust aan je dood denk, de foto’s zie, de film bekijk, ben ik nergens. Ben ik een snotterende moeder met doorgeslikte kreten van pijn. Kan ik niks meer. En dat kunnen we niet hebben. Er moeten boodschappen gedaan worden, wassen gedraaid en bezems over de vloer.

Dus denk ik niet aan je dood. Vergeet het. Doe alsof er niks aan de hand is en ik merk dat ik daar steeds beter in word. Gewoon doorgaan. Maar ’s nachts, als ik mijn bed in rol vind ik daar je ouwe knuffelbeest. Ik hou zijn pootje vast en huil. Mijn verdriet heeft je geur al lang verdreven maar toch voelt het alsof je dichtbij bent.

En ik voel  de pijn. De pijn omdat je er niet meer bent en ook nooit meer zal zijn. Dat ‘nooit’ is niet te bevatten. En ik zal het ook nooit geloven.

Daarom schuif ik de gedachten aan jou overdag stiekem tijdelijk opzij. Zodat ik functioneer, werk, leef. Als ik aan je denk dan lukt dat niet. Maar het voelt als verraad. Het voelt als een harteloze moeder. En dan ben ik niet, toch? Ik zou wel de hele dag aan je denken als ik dat aan zou kunnen. Maar dat lukt me nog niet. Misschien ooit. Misschien nooit.

Dus als je me voorbij ziet huppelen om leuke dingen te doen, ergens diep in mijn hart draag ik je mee, zoen je op je neus en moffel een pakje sigaretten in je jaszak. We waren een mooi team, Pieter. Jij en ik. Ik haat lantaarnpalen.

Elf.

24 aug

Het zal nooit overgaan. Het zal nooit wennen. Iedere keer als ik naar Nijmegen rijd denk ik aan die rit op die vroege zaterdagochtend in september. Het was, geloof ik, half zeven en nog donker. Ik zat in de auto van je opa met oma en pap. Achter ons reed een politieagent in mijn auto met je broers er in. Dat wilde ik niet. Thuis op de oprit had ik gevraagd of je broers niet bij ons in de auto konden. Dat mocht niet. Ik voelde me al zo ontmoederd. Jij was dood. Ik wilde mijn levende kinderen zo dichtbij mogelijk hebben.

Tijdens de rit waren we stil en verbijsterd. Iedereen in haastig aangetrokken kledingstukken. Oma en ik nog vettig van de nachtcreme en zonder make-up. Ik wilde zo snel mogelijk naar je toe. Ik was er  van overtuigd dat ik een vriend van je zou zien liggen. Of een dief die je portemonnee met identiteitsbewijs had gestolen. Dat ik vol opluchting kon zeggen “Dat is Pieter niet!”

Maar je was het wel. Met schoongespoelde haartjes en al het bloed van je gezicht gewassen. Een gezicht dat iets anders was. Maar we herkenden je meteen. En ik kon niet langer hopen dat er een vergissing was gemaakt.

We zijn vandaag elf maanden verder. De pijn voelt nog als van gisteren. Dit zal nooit wennen. En ik snap niet hoe de dagen van het jaar door durven te gaan. Ik snap niet waar je gebleven bent. Soms vertel ik je iets in mijn dromen. En verbaas me de ochtend erna dat ik zo weinig van je droom. Terwijl ik dat heel graag zou willen.

Volgende maand, als je precies één jaar dood bent, staat er waarschijnlijk een artikel in De Gelderlander. Over je vrienden, over ons, over hoe veel  we je missen, over die klote lantaarnpaal. Zie het als een eerbetoon aan jou. Vandaag elf maanden geleden hield je op met bestaan. En wij allemaal ook een beetje. Kus, lief joch, ik hou van je.

Alles.

9 aug

Mijn gevoel ging op slot, die vierentwintigste september 2016. Ik zocht mijn emoties, ik zocht mijn tranen, ik wilde huilen, ik verbaasde mezelf, ik dacht dat ik zou doodgaan, ik bleef leven met zonder jou.

Bijna een jaar geleden. Facebook blijft onwetend vrolijke foto’s  van vorig jaar en het jaar daarvoor posten. Leuke herinneringen, staat erbij. Nee, niet leuk. Maar ik heb nog steeds niet die verschrikkelijke huilbui gehad. Want als ik daar aan toegeef dan is het toch echt gebeurd.  Toch? Dat je er echt niet meer bent. Dat iets onvoorstelbaars echt kan zijn.

Soms laat je me huilen, heel even. Bij een liedje, bij een gezicht, bij een rode gymschoen, bij mijn naaimachine op de keukentafel, bij je oude knuffelbeest, bij de toespraak van je opa, bij je lege stoel aan tafel, bij vier borden in plaats van vijf, bij de geur van je lijffie in dat oude tshirt van je, bij je lievelingseten, bij de berichten van je vrienden  die altijd aan je blijven denken, bij de foto’s van je kapotte lichaam, bij de tranen van onze familie, bij onze verbijstering, bij de plek waar je nu bent, bij je lantaarnpaal waar altijd bloemen zijn en je petje hangt. Bij mezelf. Iedere nacht. Iedere dag. Ik kan je niet meer missen dan ik nu doe.

Je doet me pijn, zo vreselijk erg. En het ergste is dat je dat niet expres deed. Er was alleen maar een stom moment van onoplettendheid voor nodig, effe wegzakken, in slaap vallen. En dan wil ik zo boos op je worden. Schelden. Vloeken  ” Stomme eikel!”  schreeuwen.

Ik word niet boos. Ik ga niet schreeuwen. Ik vloek niet en ik scheld niet. Ik ga verder, zo klein als ik maar kan zijn. Maar weet dat ik alles zou doen om je terug te krijgen. Alles.