Archief | oktober, 2017

As.

10 okt

Afgelopen zaterdag hebben we met de familie de as van grote oma uitgestrooid op die speciale plek waar ook de as van tante Marian was verspreid. Een bijzondere plek voor ons en ik vond dat jij daar ook bij moest zijn. Dus had ik stukjes van jou in een paars boterhammentrommeltje meegenomen. En een ordinair plastic zakje eromheen voor het geval het trommeltje per ongeluk open zou gaan.

Toen we zoveel jaar geleden de as van tante Marian gingen uitstrooien stonden al onze auto’s aan het begin van de bosrand en liepen we met de hele familie door het weiland van de paarden waar zij voor zorgde. Terwijl we daar liepen struikelde ik over iets in het gras. Het was een hoefijzer. Allemaal vonden we dat een mooi teken van Marian en we namen het mee naar de rand van het weiland. Het hoefijzer is later aan de mooiste boom langs de kant gehangen. En verdomd, zoveel jaar na dato hing het er nog.

Goed, daar stonden we, Pieter. In de stromende regen. We waren over prikkeldraad geklommen, dat stond er eerst nog niet, de familie was uitgebreid met vrolijke kleine nichtjes maar toch was het een mooi punt van herkenning. Ik hoorde weer de toespraak van mijn oom Karel die jouw favoriete oom was. Ik voelde weer even de verslagenheid van de dood van Marian. Ik ben nu al ouder dan dat zij ooit geweest is en dat doet nog steeds pijn.

Grote oma had als uitgesproken wens dat haar as bij die van Marian zou worden uitgestrooid. Eindelijk weer samen. En dat deden we. En omdat ik het zo’n mooie familieplek vond wilde ik ook wat van jou daar achterlaten. Dat je de mooie vrouwen van mijn familie gezelschap zou houden. Ze aan het lachen kon maken. Dat zij niet alleen zouden zijn. Dat jij niet alleen bent. Dat ik, alhoewel ik beter weet, kan denken dat jullie daar ’s avonds, tegen schemerlicht, met zijn drietjes een sigaret opsteken met een drankje, alcoholisch natuurlijk want je bent achttien, en een fijne avond hebben. En een fijne morgen, middag en nacht.

Dat ik het bijzonder vond. Drie mensen waar ik heel veel van hou, samen op een mooie plek. Onder een hoefijzer, onder een boom, onder zoenen van ons, onder onze tranen.

Het regende,  het waaide. Toen ik jouw as onder de boom verstrooide, ontstond er een klein wolkje. Later zag ik dat een deel van je as aan mijn stoere laarzen was blijven plakken. Je hebt het hele weekend met me meegelopen.