Archief | september, 2018

Vandaag

24 sep

En alleen jij, lief kind, weet hoe erg ik je mis. De speciale band die we hadden, is er niet meer. Jij was de enige zoon waar ik verschrikkelijk kwaad op kon worden en erge ruzie mee kon hebben. Je eigenwijze gedrag, je grote mond. De meningsverschillen tussen ons die hoog konden oplopen. Maar die altijd eindigden in omhelzingen en excuses.

Je bent twee jaar dood. Aan de ene kant vervaag je, aan de andere kant lijkt het pas gister dat je verongelukte. Vandaag was natuurlijk apart, pijnlijk. Ik kon je dood niet wegmoffelen omdat zoveel mensen me wilden troosten, sterkte wilden wensen en wilden laten weten dat ze aan me dachten.

Dus werd het toch een aparte dag. Een dag die ik afsloot met fijne telefoontjes van je vader, omhelzingen met je oudste broer, zoenen van je opa en oma, biertje met je oom, gesprekken over de aarde, rond of plat, met je neef en mijn vriend,

Het is zo verdrietig, Pieter, dat je er niet meer bent. En nooit meer zal zijn. Dat de klok na achttien jaar, twee maanden en twee dagen gewoon verder bleef tikken. “Stop de tijd” wil ik schreeuwen. “Waarom gaat alles door? Waarom overleef ik mijn kind?” Waarom leef ik terwijl ik dacht altijd dood te zullen gaan als ik een kind zou verliezen?

Jij bent er niet meer. Ik wel. Ik ben niet doodgegaan. Alleen maar een heel klein beetje.

Vierentwintig september.

9 sep

 

De vierentwintigste september sluipt naderbij. Ondanks het feit dat ik niet veel met data heb, ik zou niet eens het jaartal dat je oma overleed kunnen zeggen, doet deze datum wel iets. Ik bekeek vanmiddag sinds best lange tijd de video van je uitvaartdienst. Tranen natuurlijk en weer dat bizarre ervaren dat je er niet meer bent. Dat ongeloof, dat onbegrip.

Na bijna twee jaar snap ik het nog steeds niet. Maar je wordt vager. Dát snap ik niet. Hoe kan ik een dag werken zonder constant aan je te denken? Hoe doen andere moeders dat? Is dat uit zelfbehoud? Waarom?

Ik ben laatst voor het eerst sinds de verhuizing naar ons huis in Slijk-Ewijk gereden. Dat was raar. Ik ben blij dat ik er niet meer woon. Te veel herinneringen. Maar het was wel ons huis. En eigenlijk hoop ik stiekem tijdens iedere onweersbui dat die hele boerderij afbrandt. De ruimte waarin jij was is van ons, daar waar jij je handafdruk achterliet. Van niemand anders dus niemand anders mag daar zijn. Zij kennen je niet.

Ik verbaas me over mijn eigen leven. Ik heb altijd gedacht dat ik dood zou gaan als jij of één van je broers dood zou gaan. Toch heb ik gewoon naast je dode lichaam kunnen slapen. Met je kunnen praten terwijl je er niet meer was. Verder kunnen gaan met zelfs best veel plezier.

Het is zo dubbel, ik vertel je niet over die nachten dat ik huilend je knuffelbeest tegen mijn ogen wreef. Vertel ik niet dat ik zo bang ben voor de ervaring dat je steeds waziger wordt. Dat ik me niet meer herinner wat je zei als je ‘s ochtends de keuken inliep. Misschien is dat de normale gang van zaken. En dat is raar want toen je net dood was zat het verdriet niet alleen in mijn kop maar ook in mijn lijf. Een lichamelijke pijn, een soort scheurend gevoel in mijn middenrif.

Ondanks wat ik eerder schreef wordt het zeer minder, rouw wordt dat ook en dat verwacht je niet. Laat je je zelfs schuldig voelen. Ik? Een moeder die haar jongste kind verloor? Dat die plezier in het leven kan hebben? Schandalig toch? Maar ik moet verder, lieve Piet. Jij bent dood maar ik niet. En je weet dat ik alles zou geven om je hier terug terug te krijgen. Vierentwintig september sluipt stiekem naderbij.